BEWEGING

De jonge Berner Sennen pup van zeventien weken oud doet het prima. Hij eet alsof zijn leven ervan afhangt (dat doet het natuurlijk ook) en drinkt heel regelmatig over de dag. De droge brokjes wekken na het verorberen dorst op als ze gaan zwellen in de maag. Gedronken water, speeksel en maagsap worden als het ware continu door ‘de sponsjes’ geabsorbeerd en het lichaam merkt dat er weinig vocht in de darm komt. Drinken! Na vertering in de dunne darm haalt verderop de dikke darm een groot deel van het vocht er wel weer uit. De nieren voeren dit uiteindelijk af inclusief het te veel aan zouten en verder wat (in water oplosbare) verzamelde afvalstoffen. De einddarm ontdoet zich daarna van de onverteerbare delen: ontlasting.

In de auto gaat het tijdens het rijden met de pup net even anders. Door het gewiebel raakt bij deze pup, zoals bij sommige mensen ook het geval is, het evenwichtsorgaan van streek. Het lichaam beweegt passief en dat geeft verwarring. De roep om een stabiele horizon als je zelf niet actief beweegt, maakt dat er onbegrijpelijke signalen naar de hersenen gaan met de nodige stress tot gevolg. Zweten voor zover dat kan, duizeligheid en vervolgens denkt je maag-darmkanaal dat het tijd wordt om zich hoe dan ook te ledigen. Goedschiks of kwaadschiks: misselijkheid met braken en soms zelfs diarree.

Bij het pupje was het heftig. Eerst spugen en al snel kwam ook de ontlasting er steeds uit als de rit langer dan hooguit vijf minuten duurde. Het kostte het dier daarna minstens een uur om weer te hestellen, waar ik persoonlijk heel jaloers op werd, want ik ben pas de volgende dag weer volledig stabiel na een aanval van bewegingsziekte.

We hebben reisziektetabletjes voor de pup. Maar het is vooral ook zaak om het dier vertrouwd te laten worden met het autorijden. Want al snel staat het deze pup tegen om überhaupt nog de auto in te gaan, laat staan er door te worden vervoerd. Om te beginnen eerst maar een paar positieve ervaringen geven in de stilstaande auto en dit meerdere keren per dag een redelijk aantal dagen lang. Belonen is een onderdeel van deze fase, het gebruik van DAP (Dog Appeasing (‘sussen’) Pheromone) als spray is ook handig. Het is het nagemaakte feromoon dat de moederhond bij de tepels produceert en het maakt de pups rustig tijdens het zogen. Elke keer eerst een spraytje in de auto alvorens de hond er in gaat, helpt het (opnieuw) vertrouwd raken met de auto en remt het bekende paniekerige gevoel.

Als de auto op zich weer veilig lijkt, zijn we zo een weekje verder en is de volgende fase: het wennen aan een stilstaande auto met draaiende motor. Niet fijn voor het milieu maar dat is dan voor even geoorloofd. Als ook dit een aantal dagen goed gaat, mag er beweging komen. Opnieuw een paar keer per dag, beginnen met bijvoorbeeld een minuutje. En zo langzaam maar zeker de tijdspanne verlengen. Uiteindelijk zal de pup gewend moeten raken aan een normaal vervoer.

Elke rit opnieuw wel weer even rustig aan doen met het gaspedaal en de remmen...

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

17 oktober 2017

 

KALENDER

Het artikeltje waar mijn oog op viel ging over dames die een date hadden met mannen die kalend zijn. Nu ja, je kan er van houden als vrouw of je accepteert het. Het heeft misschien iets bedriegelijks dat je verliefd wordt op een leuke jonge knul met een bos haar en eenmaal in de fase dat je van elkaar houdt… valt bij hem geheel onvrijwillig de ene pluk haar na de andere uit, zonder er iets voor in de plaats te laten groeien.

Met een gekocht product zoals een tapijt, ga je terug naar de winkel. Met de mededeling dat je redelijkerwijze had mogen verwachten dat het in originele staat wat langer mee had mogen gaan. Maar ja, bij je vriend… geen haar op je hoofd die daar aan denkt!?

Er werd in het stukje gesproken over de mate waarin de date leed aan hoofdhaarloosheid. De ene dame vond een beetje kaal wel charmant terwijl de ander echt viel voor de bekende biljartbal. Er waren ook dames die de dates aangingen uit medelijden voor de knullen die anders wellicht nooit aan de vrouw zouden raken. Alsof het een regelrechte handicap is.

Dat de ene man kalender is dan de ander, is duidelijk als je om je heen kijkt. En dat het woord kalend bestaat als actieve vorm van steeds meer kaal worden en dat je pas na het voltooien van dit proces kaal of op z’n minst kaler bent dan voorheen, behoeft ook geen uitleg. Maar dat de één kalender is dan de ander, klinkt wel aardig maar is ook vreemd. Het zou kunnen inhouden dat er een verschil is in snelheid van kaal worden, maar volgens mij bestaat het woord alleen in de vorm van de kalender die je aan de muur hangt…

Overigens, de jaarkalender die wij gebruiken in Nederland kent zijn oorsprong in Egypte. Althans, hier hanteerden ze in de oudheid al 365 dagen in een jaar. De Juliaanse kalender, ingevoerd (in 45 voor Christus) door Julius Caesar himself, was een correctie hierop: 365,25 dagen in een jaar en elke 4 jaar (deelbaar door 4) een schrikkeljaar. Weer niet perfect want een zogenaamd zonnejaar duurt elf minuten korter. De Gregoriaanse kalender werd ingevoerd in 1582 en gelijk werd de achterstand van inmiddels tien dagen op dat ruim anderhalve millennium gecorrigeerd door in dat jaar na 4 oktober verder te gaan met 15 oktober. Als je in die tussenliggende dagen jarig geweest zou zijn, was je nog niet jarig!In de Gregoriaanse kalender zijn vanaf nu alle hele eeuwjaren die geen veelvoud zijn van 400, geen schrikkeljaar (ook al zijn ze dus wel deelbaar door 4).

Wie gebruikt er nog een kalender. Is de mobiel niet veel gemakkelijker? Toch zie je ze nog overal hangen. En datzelfde geldt voor de agenda. Ik heb hem nog heel lang in papieren vorm geadoreerd, maar ben een aantal jaren geleden toch omgegaan. Jolanda zweert er nog bij, zoals vele anderen. Naast elkaar, digitaal en op papier, werkt het zeker makkelijk. Reden temeer voor dochter Timone, die vorig jaar de tips aanleverde voor de honden-,katten- en vogelagenda’s, om dat dit jaar opnieuw te doen. Nu ook: de paardenagenda. Ze zijn weer verkrijgbaar aan de balies van het VCHN.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

10 oktober 2017

ACHTERBAKS

In de krant kom ik het woord ‘achterbaks’ tegen en hoewel iedereen wel weet wat het inhoudt als iemand achterbaks is, bedacht ik dat het een vreemd woord is. Dus dat zocht ik op. Het kwartje viel gelijk. Iets achter iemands rug om doen, in het geniep, zonder dat het gezien wordt enzovoorts. Het ‘achter iemands rug om doen’, in de wetenschap dat ‘bak’ oud Nederlands is voor rug, dat maakt gelijk een hoop duidelijk.

Net als in het woord ‘bakboord’. Vroeger stond het roer op Vikingschepen parallel aan de vaarrichting van een schip en niet zoals bij ons er dwars op. Volgens mij krijg je dan een stijve nek omdat je steeds opzij moet kijken om naar voren te kijken, maar ja. Het waren stoere mannen. De boordzijde achter je ‘bak’ werd bakboord (bak in oud Noors betekent ‘links’) genoemd. En waar de roerganger achter het stuur (styri in oud Noors betekent ‘rechts’) naar keek noemden ze stuurboord. De Engelsen maakten er ‘back’ van. Wij blijkbaar rug.

Scheepstermen zijn een onderdeel in ons taalgebruik, zeker in spreekwoorden en gezegden. Aangezien we met een waterrijke geschiedenis zijn groot geworden, is dat geen wonder. Sommige uitdrukkingen, zoals ‘de wind in de zeilen hebben’ en ‘de vaart erin hebben’ spreken voor zichzelf. Bij andere moet je ook wat onderzoek doen om de oorsprong te vatten. Als iets ‘op de valreep gebeurt’ moet je wel weten dat de valreep de loopplank is via dewelke je het schip op gaat of verlaat. En als er op dat moment iets gebeurt, is dat op het randje zegmaar. Nog net.

‘Zijn schip raakt in de lij’ wil zeggen dat hij wordt overtroffen door een ander. De lijzijde van een schip is de kant van het schip waar de wind niet vandaan komt. Als een ander schip aan de loefzijde passeert, dus de kant waar de wind wel vandaan komt, neemt deze de wind uit de zeilen van het eerder bedoelde schip dat dus in de lij raakt, omdat deze geen wind meer vangt. Oftewel hem wordt de loef afgestoken door iemand die ‘goed loef houdt’ en er dus wel de vaart in houdt. (Ook: ‘het loefje erin houdt’.) Je zit dus iemand in zijn vaarwater, ook als je er niet vóór vaart maar opzij ervan. Erachter kan ook, in iemands kielzog varen.

Ik mag van sterrenbeeld dan wel ‘vissen’ zijn en best wel lol hebben in zwemmen (als een vis in het water voelen), toch heb ik niks met boten en varen. Behalve dat ik er in de zomermaanden veelvuldig mee wordt geconfronteerd als er weer eens een brug open gaat of staat. Het blijft bizar dat er soms honderd auto’s staan te wachten op één enkel zeilbootje dat toevallig een mast op z’n dek heeft staan.

Onlangs reed ik naar Den Helder, ik moest in de buurt van de binnenstad zijn. Drie bruggen onderweg gepasseerd en ik had ze alle drie tegen. Wat zijn je kansen. Als je alle tijd van de wereld hebt, stap je bij mooi weer misschien nog even uit je cabine om een luchtje te scheppen, daar vaar je wel bij. Maar als je dag toch al tekort dreigt te worden, zit je op wachten niet te wachten en moet je, om alles af te krijgen, alle zeilen bijzetten!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

26 september 2017

ANAALKLIERABCEDATIEWEETJES

Als ik de stevig tussen de achterpoten getrokken staart van het ietwat treurig ogende hondje probeer op te tillen, biedt ze weerstand en geeft geërgerd een piepend geluidje. De eigenaar noemde al eerder dat er problemen waren met het ontlasten alsof ze het steeds aan het uitstellen was. En tijdens die pogingen hetzelfde piepte als nu.

Na een voorzichtige dwang keek ik recht in twee kogelronde gaatjes, beide aan weerskanten van de anusopening. De pus vermengd met wat bloed drupte er uit. Ik begreep op slag de weerstand tegen het staartheffen.

Links en rechts van de anusopening van honden, vossen, wolven, dassen en stinkdieren zitten, precies op de rand met de huid, twee openingetjes waarvandaan er buisjes vertrekken naar opzij de diepte in. Die buisjes eindigen in twee zogenaamde anaalklierzakjes. In deze twee zakjes produceren heel veel kliertjes het zogenaamde anaalkliervocht dat in de zakjes wordt opgeslagen. De zakjes worden geleegd via de buisjes zodra het dier de anale kringspier samentrekt. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij angst, denk maar aan het stinkdier dat dit fenomeen als afweerwapen heeft ontwikkeld. Maar in de meeste gevallen legen ze zich bij het afknijpen van de ontlasting na het doen van de stevige boodschap.

Het vocht uit de anaalklierzakjes ruikt geweldig sterk en zeer onaangenaam. Althans in óns reukorgaan. Bij soortgenoten is het echter niets meer dan een middel tot communicatie met als doel te vertellen dat hetgeen is aangetroffen van hèm of háár afkomstig is. Een grote boodschap met persoonlijk tintje als extra signaal.

Er mankeert nogal eens wat aan het geleegd worden op de juiste momenten. De kringspier werkt niet sterk genoeg, de zakjes liggen er teveel buiten en worden zodoende bij het afknijpen niet meegenomen, of de inhoud is niet vloeibaar genoeg. Ook de doorgankelijkheid van de buisjes kan te wensen overlaten. Al met al lopen de zakjes vol en omdat er niets of te weinig wordt geleegd, zit er voor het lichaam niets anders op om er weer vocht uit te halen, waarbij de vaste bestanddelen steeds verder indrogen en het in zijn totaliteit een stopverfachtig karakter krijgt. Door de druk die wordt ervaren, gaat een deel van de honden op de anus zittend voortbewegen, het zogenaamde ‘sleetjerijden’. In een poging het za(a)kje leeg te drukken. De anus krijgt hierdoor een roodgeschuurd tot zelfs ruw karakter Anderen bijten links en of rechts van de staartbasis hetgeen opvallende kale korstige plekjes geeft die op zichzelf weer een reden kunnen zijn om er te blijven bijten.

Als een bacterie ‘lucht’ krijgt van de voorgewarmde voorraad ‘voeding’ en er ook nog in slaagt zich naar binnen te wurmen door één van de buisjes, kan deze er een pijnlijke ontsteking veroorzaken die veelal uitmondt in een abces. En abcessen zoeken de kortste weg naar de buitenwereld. Als beide klieren tegelijkertijd dit plan opvatten, wat zelden gebeurt, ontstaat het beeld zoals dat van mijn lichtelijk ontgoochelde patiënt: Zeer ‘onanaalgenaam’!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

19 september 2017

TIMONE(E)

Ik weet nog als de dag van gister hoe het voelde toen ik uitlootte voor diergeneeskunde. Er waren een kleine 200 plaatsen in Utrecht beschikbaar. Meer ruimte was er niet en de aanmeldingen voor die plaatsen het zevenvoudige… Alle namen gingen in een hoed! In de zomer van 1981 zou bekend gemaakt worden met welk rangnummer de jouwe er was uitgetrokken.

18 Jaar oud en het jongste kind van vier. Ik was alleen thuis. In die tijd moest je bellen om je lotingsnummer op te vragen. Ik had er op de middelbare school zes jaar lang vakken als wiskunde en natuurkunde voor verdragen. Niet mijn sterkste kant. Ik koos de voor mij zwaarste route om mijn toekomst als dierenarts veilig te stellen. Het kon toch niet anders dan dat ik er bij zou zitten... ? Maar dat kon het wél. Met een lotingsnummer ver in de 1200 was ik verder dan buitenboord gevallen. Het deed zéér. En dat is een understatement…

Na wat speurwerk of er een mogelijkheid was om naar Engeland of Canada uit te wijken, bleek uiteindelijk in België de stad Gent aanzienlijk gastvrijer te zijn dan mijn eigen land. En dat besef deed opnieuw lang pijn. Gent werd zes jaar lang mijn thuis. Althans voor wat betreft mijn toekomstperspectief. Jolanda en de rest van de familieleden bleven waar ze waren en zodoende reisde ik óm het weekend met andere Nederlandse studenten, die in het bezit waren van een auto, heen en weer. Weekend studeren, weekend naar Jolanda in Krimpen aan de IJssel, weekend studeren, weekend naar ouders in Leiderdorp waar Jolanda dan ook naar toe kwam. Vier jaar lang. Het vijfde en zesde jaar woonden we eerst samen en reed Jolanda voor vier dagen naar Nederland terug. Eerst om haar studie in Delft af te ronden en na ons trouwen in 1986 voor haar lerarenbaan in Gorinchem. Ze vertrok maandagochtend om zes uur en overnachtte na haar werk ‘s nachts bij haar moeder, kwam dinsdag op het einde van de middag weer in Gent en vertrok daar donderdagochtend weer om zes uur. Vrijdagavond weer terug. En dan werkte ze het weekend ook nog in Gent. Want ik zat alleen maar achter mijn bureau.

Gisteren vloog onze dochter Timone uit. We hebben haar studentenkamer in Antwerpen ingericht. Voor haar herhaalde de geschiedenis zich op soortgelijke wijze. Na twee pogingen en dito teleurstellingen om Utrecht haar hart te schenken voor het vak diergeneeskunde dat ze wil gaan leren, besloot ze haar geluk in Antwerpen te zoeken. De universiteit daar biedt de mogelijkheid om de eerste drie van de volledige zes jaar van de opleiding te volgen. De laatste drie jaar is dan weer in Gent.

Ook Timone is de Benjamin. Het huis is nu kinderloos. Alle vier op achttien jaar het huis uit om te studeren. Timone is geen stil en teruggetrokken dametje. Ze is vrolijk en gezellig voor vier. Er gaat een gat vallen. Dat is zeker. Jolanda en ik zijn weer samen, zoals tot op de kop af achtentwintig jaar geleden. We weten hoe dat werkt. Maar het staat als een paal boven water dat we Timone haar vanzelfsprekende aanwezigheid enorm gaan missen!!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

12 september 2017

GALAPAGOS (5)

We wandelen, fietsen en zwemmen wat af op meerdere Galápagos-eilanden. Vrijwel de hele archipel is Nationaal Park en daarmee destijds de eerste van Ecuador. Er gelden strikte regels waaronder het verbod iets plantaardigs of dierlijks er naartoe mee te nemen. Dit geldt ook voor aarde en zand. Je wordt bij aankomst op íeder eiland stééds wéér opnieuw in de rij gezet voor een grondige controle bij de douane: Tassen en koffers open! Overigens geldt ook de regel dat je niets van de eilanden mee naar huis mag nemen, in de meest letterlijke zin. Nooit zijn we vaker binnenste buiten gekeerd…

Baltra, Santa Cruz, Bartholomé, Santiago en Isabela. De manier waarop je je verplaatst, veel per auto en vooral ook tussen de eilanden per (speed)boot, is niet het meest interessante, maar de beleving die we van onze omgeving hebben is vooral heel bijzonder. Planten en dieren hebben zich op deze extreem van het vasteland geïsoleerde eilanden eigenzinnig ontwikkeld. Daar hebben ze duizenden jaren over gedaan. Er valt gelijk op dat de dieren hier niet schuw zijn voor ons. Ze hebben de angst voor mensen (die waren er heel lang niet) van nature nooit geleerd en dat wil men zo houden. Je mag de dieren niet aanraken en uiteraard snappen we dat. Maar eerlijk gezegd is dit wel een kwestie van onderdrukken van je neigingen, want als je op je hurken zit en er scharrelt een schildpad op je af waar je nauwelijks overheen kunt kijken, heb je er een botsing voor over om er letterlijk mee in contact te komen. Majestueus vertraagde dieren uit een prehistorisch tijdperk.

Omdat deze schildpadden een jaar zonder eten en drinken kunnen, zagen de zeelui er vroeger een ideale vleesbevoorrading voor schepen in. Ze werden massaal levend aan boord gezet, gaandeweg de lange reizen opgepeuzeld en bij aankomst werd het teveel aan schildpadden voor dood overboord gekieperd. Door de intensieve bescherming en opfokprojecten zijn veel soorten van de ondergang gered. Een gids verklaart waarom er alleen al op Isabela 5 van elkaar verschillende soorten leven, elk op een ander deel van het eiland. Isabela is een vulkanische samensmelting van ooit zeg maar 5 verschillende eilandjes die door het bewegen van de tektonische platen naar elkaar ‘dreven’ en werden samengedrukt tot één eiland. De schildpadsoorten die zich in de tijd op elk eiland apart ontwikkelden, kwamen ooit samen maar behielden hun eigenheid na de samensmelting. Wonderlijke ontwikkelingen.

We staan naast schildpadden waar we zelf met gemak inpassen zo groot. We zwemmen langs zeeleeuwen en tussen haaien en volgen al snorkelend geduldig het rustige grazen van enorme zeeschildpadden. We ‘botsen’ er op Galápagos pinguïns en zien de blauwpotige Jan van Genten vliegen. Wandelen over lange paden waarlangs planten groeien die alleen daar en nergens anders ter wereld voorkomen. (‘Endemische’ soorten.)

Uiteindelijk vertrekken we er met pijn in het hart en na een dag van 28 uren reizen (3 bussen,4 boten, 2 vliegtuigen en uiteindelijk onze auto) zijn we weer thuis!

Voor eerder delen zie VCHN.nl

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

5 september 2017

GALAPAGOS

In 18 dagen door Ecuador. Eerst varen over de rivieren van de vlakke warme Amazoneregenwouden, daarna wandelen door de vochtige bergachtige nevelwouden, vervolgens trekken door de koudere hoge Andes en nu het laatste deel van onze familiereis: Zilte zee met kusten. Heel veel kusten.

De Galápagos Archipel bestaat uit 13 grotere en 7 kleinere vulkanische eilanden. En dan nog heel veel kleine rotspartijen. Dit worden geen eilanden genoemd. De definitie van een eiland houdt in dat er een ecosysteem op aanwezig is. Planten en dieren. Zo niet, dan is het geen eiland maar een rots. Hoe groot het geheel ook is.

De ‘eilanden’ in brede zin ontstaan (nog steeds) in dit vulkanisch onrustige deel van de Stille Oceaan. Langzaam aan drijven ze weg uit de gevarenzone en dat verklaart waarom veel vulkanen stil werden en door erosie afvlakten, terwijl er op de oorspronkelijke plaats steeds weer nieuwe ontstaan.

We landen na een vlucht van 1000 km over de oceaan op Seymour Airport van het eilandje Baltra. In de Tweede Wereldoorlog een Amerikaanse legerbasis en nu het eerste ‘groene’ vliegveld ter wereld. Lees: zonnepanelen, windmolens en drinkwater met behulp van ontziltingsinstallaties uit zee. Een gids legt uit dat ook vrijwel alle landbouw in Ecuador ‘groen’ en ecologisch is. Noodgedwongen overigens, want geld voor bemesting en chemische bestrijding is er niet: In onze beleving onrendabele akkers met hier en daar de juiste plant.

Via de pont komen we op het naastgelegen eiland Santa Cruz. Hier begint de Galápagosbeleving zoals ik me die als leerling op de middelbare school al had voorgesteld. In de lange geschiedenis die deze vulkanische eilanden kent, sterk afgelegen in de grote oceaan, begon het geïsoleerde leven via aangespoelde zaden en dieren die er verdwaald raakten via drijfhout of eigen vleugels. De omstandigheden die ze er aantroffen waren allerminst paradijselijk en voor het voortbestaan moesten ze zich gaan aanpassen. Landleguanen leerden er noodgedwongen zwemmen (uniek in de wereld) omdat ze als vegetariërs op de  kale lava geen groen vonden en het met zeealgen moesten doen. Vinken leerden er cactusbladeren eten, de eerste groene planten die zich durven te ontwikkelen na een eruptie van moeder aarde.

Toen de Engelse natuurhistoricus Charles Robert Darwin er met het schip de Beagle in 1835 aanbelandde, ontdekte hij dat de Mockingbird (Spotlijster) op elk van de eilanden van elkaar verschilden. Hij verklaarde wat hij zag, door aan te nemen dat op elk eiland de leefomstandigheden, in de duizenden jaren die verstreken, zo van elkaar verschilden, dat overleven gelijk stond aan aanpassen. En daarmee verklaarde hij tevens waarom alle soorten op de Galápagos sterk verschilden van de oorspronkelijke soorten op het vasteland.

De soorten waren geëvolueerd en zo werd de eerst bom gelegd onder het scheppingsverhaal en was de evolutietheorie een feit. Zeer gedurfd in die tijd en de acceptatie laat dan ook nog wel even op zich wachten…

Jan Anne Schoonhoven

29 augustus 2017

ANDES (3)

We reizen in 18 dagen door Ecuador en slapen zo nu en dan langer dan één nacht op dezelfde plek. Vanuit de vlakke warme Amazone en daarna door de vochtige bergachtige nevelwouden, volgen we nu het spoor hoger op de koudere Andes. De hoogst noodzakelijke bagage dragen we in onze rugtassen mee, de minder noodzakelijke handel wordt per pick-up van hostel naar hostel vervoerd. Wij gaan te voet…

De eerste Andesdag lopen we in wintertenue met factor 50 op de onbedekte delen (maar dat waren er niet veel) de vulkaan met de naam Cotopaxi op. Het doel is de toevluchtshut ‘San José Rivas’ op 4864 meter hoogte. Omdat de sneeuwgrens op 4700 m ligt, is de vulkaantop bedekt met eeuwige sneeuw en gletsjers, waardoor de Cotopaxi als één van de mooiste vulkanen ter wereld wordt beschouwd. Dat is wat ze er over zeiden voordat we vertrokken. En dat ‘hoogteziekte’ op de loer ligt. De ijle berglucht bevat weinig zuurstof. Door zuurstofgebrek kunnen de bloedvaatjes overal in je lichaam vocht gaan lekken, zoals we wel kennen bij een oppervlakkige schaafwond: er treedt vocht uit. Vocht in je handen geeft alleen maar dikke handen. In je longen en hersenen veroorzaakt het serieuze klachten, zoals in eerste instantie hoofdpijn, misselijkheid en duizelig worden. Je reageert op het zuurstofgebrek door dieper adem te halen en meer rode bloedcellen aan te maken. Dat eerste gaat vlot. Je moet wel. Dat tweede kost een weekje meer. Wij zijn de Andes dan al uit!

De belangrijkste bescherming tegen hoogteziekte is traag bewegen en veel water drinken. En dat doen we dan ook. Het is overigens geen keuze: Het klimmen gaat door de steilte van de helling en constant aanwezige zuurstofschuld tergend langzaam. Stapvoets. Het uitzicht onderweg is overweldigend en de strijdt met je lichaam bijzonder confronterend. We bereiken ons doel, genieten van de geleverde prestatie en zijn na een korte rust verbazingwekkend vlot weer beneden aan de voet van deze berg...

Zonnig weer was wel één van de kenmerken van deze dag. De vulkaantop was daardoor regelmatig uit de wolken en wij er ‘in’. En dit weer treffen we de volgende dagen steeds, als we van slaapplaats naar slaapplaats trekken. We leven in de natuur, bewonderen de bijzondere plantengroei en genieten van de dieren (Andesvos, Gieren, Caracara) en mensen die we onderweg tegenkomen. Eindeloos lange bergpaden laten we achter ons met als laatste doel het bereiken van het kratermeer van Quilotoa op 3850 meter hoogte. 3 Km breed, 250 meter diep en vreemd groen van kleur. Of blauw, afhankelijk van het moment dat je er naar kijkt. Door het hoge zwavelgehalte is er geen leven in mogelijk.

Als ook onze dagen in de Andes zijn opgebruikt, doen we één dagje rustiger aan. We gaan zwemmen in heet water, verwarmd door vulkanische bronnen en moeten ervoor waken er niet in te verbranden. We verwerken terloops de opgedane ‘hoogtepunten’ en bereiden ons tegelijkertijd voor op een 1000 kilometer lange ‘binnenlandse’ vlucht, waarmee we toch al snel het land verlaten… op weg naar de Galápagos archipel.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

22 augustus 2017

 

 

NEVELEN (2)

Als we ons tijdens de rondgang door Ecuador verplaatsen van de Amazone naar de zogenaamde nevelwouden op de hellingen van de startende Andes, wordt ons het verschil duidelijk tussen die verschillende gebieden. De regenwouden in de Amazone liggen horizontaal. De loodrecht erboven geplaatste zon bereikt er weinig de grond omdat de kronen van de hoge bomen een ondoordringbaar bladerdak vormen. Eigenlijk is het saai op de grond en de planten die er zouden moeten groeien hebben zich aangepast aan het leven op takken en dus hoog in de kruinen. Op zoek naar wat licht.

Nevelwouden. Zo genoemd omdat ze op de berghellingen niet zozeer tot in de wolken reiken, maar hun eigen verdampte vocht in de koelte van de hoge hellingen laten condenseren tot mist. Mystiek groen waar de op- en neergaande zon wèl vat krijgt op de schuin gelegen grond omdat de kruinen geen gesloten bladerdak vormen maar etages. En daar kun je tussendoor schijnen. De aarde is hier wel bedekt met een scala aan planten. Minder warm maar zeker zo vochtig. Doordat er hier veel meer bloemen zijn, is het een walhalla voor de kolibries. Ze vliegen af en aan. De gids gooit getallen in de lucht die, zelfs nadat ze vertaald zijn naar het Nederlands, nog steeds indrukwekkend klinken: ruim driehonderd soorten, minst aantal veren in het vogelrijk, per minuut ongeveer 1200 hartslagen en minimaal 75 vleugelslagen per… seconde.

Ze hangen schijnbaar moeiteloos in de lucht, onthouden elke kelk die ze hebben bezocht en weten precies wanneer ze hun rondje voor nectar opnieuw kunnen afwerken. Namelijk zodra de leeggezogen bloem haar voorraad zoete lokkende nectar weer heeft aangevuld. Tijdens deze korte maar intensieve maaltijdjes bestuiven de kleine vogeltjes als ware het bijen, de bloemen met het ‘per ongeluk’ op de veren meegenomen stuifmeel. Veel plantensoorten zijn voor hun voortplanting honderd procent afhankelijk geworden van deze straaljagertjes, doordat ze hun bloemen er ingewikkeld op hebben aangepast: dunne en zeer lange snaveltjes vereist! Tussendoor happen ze af en toe een eiwitrijk insect naar binnen want nectar is alleen maar brandstof voor de vele minimotortjes die bijna continu aanstaan…

Het liefst iedere 8 seconden tanken anders valt het vogeltje stil. Iedere nacht raken ze in een korte winterslaap, waarbij de hele stofwisseling en dus ook ademhaling en hartslag, op een bijna dodelijk laag pitje komen te staan. Ze worden door de eerste warme ochtendzonnestralen weer geactiveerd. Wakker worden in het nevelwoud. We weten nu hoe dat is.

We veranderen opnieuw van gebied. Ook ònze motortjes zullen nog een tijdje aan moeten blijven staan. In de Amazone hadden we naast het wandelen en zwemmen nog regelmatig een kano onder onze kont. In de nevelwouden oefenden we al flink verder op onze benen. De volgende stap wordt het afleggen van flinke afstanden door de hoge Andes. Er staan ons voettochten te wachten tot bijna 5000 meter hoogte en we raken voorbij de sneeuwgrens…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

15 augustus 2017