BILJET

Ze hebben in Groot Brittannië een groep katten voorzien van een kleine camera, bevestigd aan hun halsbandje. Op deze wijze brachten de onderzoekers verbazingwekkende feitjes aan het licht. Onder andere het gegeven dat een redelijk groot percentage van deze dieren er tot op dat moment ongemerkt een tweede huis op na hield. Er waren dus katten bij die in de ochtend voor een frisse neus naar buiten werden gelaten. Ze liepen echter rechtstreeks naar hun gastgezin om daar weer te eten en verder te slapen. Om in de loop van de dag of zelfs later weer huiswaarts te keren. Beide gezinnen waren van mening dat het ‘hun’ kat was, totdat deze met een halsbandje en camera het tegendeel liet blijken. Geniaal om zo ook de interacties met andere katten in de buurt te zien. De afstanden die door sommige katten werden afgelegd, waren soms groter en soms ook juist veel kleiner dan gedacht.

Als je zelf op je mobiele telefoon je locatie ‘aan’ hebt staan, word je in feite op dezelfde manier gevolgd. Achteraf vraagt Google je tegenwoordig zelfs of je je bevindingen over bezochte bedrijven wilt weergeven door er vragen over te beantwoorden. Of word je er op gewezen dat je in de buurt bent van bepaalde activiteiten middels een pop up op je telefoon. Ik vind het allemaal niet zo’n probleem, hoewel het wel als een inbreuk op je privacy kan worden gezien.

Het lijkt een ander onderwerp, maar als je in je portemonnee kijkt, zie je veel euromunten die uit andere landen komen en ook het briefgeld draagt een kenmerk van het land waarin het biljet is gedrukt. Geld zwerft dus overal heen. En ik weet dat het lastig is om bijvoorbeeld een tientje van een camera te voorzien, maar ik ben er altijd o zo nieuwsgierig naar waar het geld waar ik mee betaal allemaal is geweest en nog naar toe zal gaan. Hoeveel verschillende eigenaren het heeft per dag. Hoe vaak ligt het ergens in een kassa of hoe snel komt het weer bij een bank terecht en hoelang verblijft het daar, voordat iemand het weer uit een geldautomaat plukt. Sommige biljetten zullen weken, maanden of zelfs jaren bij een kind in de spaarpot verblijven alvorens het bestedingsdoel is bereikt. Hoe vaak is een biljet in handen geweest totdat het te versleten is voor normaal gebruik en het dus uit roulatie wordt genomen en vernietigd wordt? Spreekwoordelijk maakt het niet gelukkig, maar het reist geweldig!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

20 febr 2018

ECHOLOCATIE

Veel uitvindingen die mensen hebben gedaan en nog zullen doen bestaan al een eeuwigheid in de natuur. Zo vind ik het gebruik van echolocatie door onder andere dolfijnen, sommige walvissen en vogels en natuurlijk de vleermuizen, het meest tot de verbeelding sprekend. De vleermuis ziet in het donker geen hond. Door bijna continu korte hoogtonige geluidjes uit te stoten, die door de omgeving waarin hij vliegt worden teruggekaatst, vormt hij zich via dit opgevangen geluid een beeld van alles om zich heen. En als daar dan een insect doorheen beweegt, verstoort deze als het ware dat beeld en de prooi kan zo met uiterste precisie worden waargenomen en vervolgens worden gevangen. Wij hebben echolocatie gewoon afgekeken van deze dieren. Maar dat mag. Beter goed gestolen dan slecht bedacht, wordt wel eens gezegd…

Als je kijkt naar de ontstaansgeschiedenis van de mogelijkheid echolocatie toe te kunnen passen, dan zou het te begrijpen zijn dat de walvis en de dolfijn wellicht een gemeenschappelijke voorouder hebben gehad die dit fenomeen heeft weten te ontwikkelen. De kleine wendbare dolfijn heeft deze verworvenheid op zijn manier verder ontwikkeld en de walvis evenzo. Het stukje erfelijk materiaal dat deze eigenschap vastlegt zodat latere generaties het automatisch verwerven, zijn precies dezelfde genen als waar de echolocatie is vastgelegd bij vleermuizen. Aangezien vleermuizen en walvisachtigen nauwelijks aan elkaar verwant zijn, weten we dat deze diersoorten in de evolutie de echotechniek onafhankelijk van elkaar hebben ontwikkeld en deze ‘toevallig’ hebben vastgelegd op dezelfde plaats in hun eigen erfelijke draaiboek. Dat verschijnsel heet ‘convergente’ evolutie. Helemaal toeval zal het niet geweest zijn, blijkbaar was dit gen al gevoelig voor een ontwikkeling die kant op.

De overeenkomst tussen de dolfijn en de vleermuis is duidelijk. De toepassing heeft als doel om zowel de omgeving als de prooi in beeld te krijgen bij slecht zicht. Maar er zijn ook duidelijke verschillen. De vleermuis kan middels de soepele nek en beweegbare oren een veel breder beeld vormen van zijn omgeving en hij kan ook de frequentie van het uit te zenden signaal aanpassen. Indien de afstand tot het gedetecteerde object kleiner wordt en bijgevolg het ontvangen signaal (geluid) steeds sterker wordt, moet het zintuiglijk orgaan (sensor in het oor bij de vleermuis en in de onderkaak bij de dolfijn) worden beschermd tegen overbelasting. De dolfijn doet dat door simpelweg de sterkte van het uitgezonden geluid te verminderen. De vleermuis echter zet zijn oren op een minder gevoelige stand. Je moet het maar kunnen. Wij hebben daar nog oordopjes voor nodig…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

13 februari 2018

SOCIALE COMPETENTIE (6)

We komen aan het einde van het relaas over hoe de hond en de mens in de afgelopen 10.000 jaren zijn samengesmolten tot bijna één diersoort als het gaat om de aanwezigheid van onderling vertrouwen, het elkaar kunnen aanvoelen en aanvullen. Ze spreken niet elkaars taal in woorden. Herkennen wel elkaars klanken. En als het meezit voelen ze elkaar feilloos aan, herkennen elkaars bewegingspatronen en erkennen elkaars afhankelijkheid.

Bewezen werd dat honden en mensen elkaar opvallend veel als gelijken beschouwen, als onderdeel van elkaars roedel of gezin. Dat zelfs hersenscans aantonen dat honden dezelfde reacties kunnen veroorzaken bij mensen en vice versa, die normaal gesproken alleen aan te tonen zijn bij individuen binnen één diersoort en niet bij soorten onderling. De relatie tussen mens en hond is dus niet te vergelijken met die tussen een mens en welk ander huisdier dan ook.

Feitelijk is het meest bewonderenswaardige van de samenwerking dat het een sámenwerking is. Het komt duidelijk van twéé kanten. Dat constateren we het duidelijkst in het geval van verder gevorderde binding. Zoals de snuffelhond die getraind is om zaken voor zijn baas op te sporen. Zoals explosieven, geld, drugs of (overleden) personen. De baas bepaald bij wie of waar er gezocht moet worden, maar de hond brengt de taak op zijn manier ten uitvoer. En pas bij een vondst geeft hij de activiteit weer door aan zijn baas, die er verder mee gaat.

Een ander mooi voorbeeld is de relatie tussen een blinde en zijn blindengeleidehond: De blinde bepaalt in de drukke stad of hij naar links of naar rechts wil en de geleidehond zorgt ervoor dat obstakels worden vermeden. Waarbij beide elk op hun beurt het voortouw nemen om de route tot een goed eind te brengen. Namelijk op de juiste plaats arriveren (de blinde weet waar hij naartoe wil) en zonder valpartijen (hond regelt op de door de baas gekozen route de kwaliteit van de afgelegde weg). Beide voelen elkaar feilloos aan. Waarbij zelfs wetenschappelijk bewezen is dat de geleidehond in veranderende situaties kan voorspellen wat de consequenties zijn van zijn acties en daarnaar weet te handelen. Ook in een steeds ingewikkelder wordende samenleving met mensen, waarin voortschrijdende technieken de boventoon voeren, blijven honden meegaan met de tijd. Petje af!!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

6 februari 2018

PANCREATITIS

De 'pancreas' oftewel 'alvleesklier' is een buikorgaan, gelegen vlak naast de twaalfvingerige (zo lang als twaalf naast elkaar gelegde vingers) darm. En dat is weer het darmgedeelte waar de maag haar inhoud beetje bij beetje in kwijt kan, nadat het er via de slokdarm inkwam. In de mond vermengd het voedsel met speeksel en in de maag met maagsap. Zo wordt het voedsel gladder, later zelfs vloeibaar en tevens zorgen speeksel en het zure maagsap ervoor dat het voedsel alvast wat uit elkaar begint te vallen.

Om de vertering in dit eerste stukje darm op gang te helpen, stort niet alleen de galblaas hier haar galsappen in (ter bevordering van de vertering van via de voeding opgenomen vetten) maar ook de pancreas kan er wat van. De sappen uit deze klier bevatten enzymen die gaan helpen bij zowel de vertering van eiwitten en vetten, alsook die van koolhydraten. Voor elk een eigen soort en deze helpers zijn onmisbaar voor het in hele kleine stukjes 'knippen' van al die voedzame stoffen. Want dan pas kunnen ze door het slijmvlies van de darm worden opgenomen en via het bloed naar de lever worden getransporteerd. Die maakt er weer opnieuw de bouwstenen voor alle door het lichaam gevraagde eiwitten, vetten en koolhydraten van. Beetje via Maastricht naar Groningen, maar er is een biologische 'aardbeving' voor nodig om bouwstenen veilig in een mens of dier te krijgen…

De pancreas dankt haar Nederlandse naam 'al-vleesklier' aan de egale (al…les) vleesachtige kleur van deze klier. Hij is vooral bekend om de productie van het hormoon 'insuline'. Die laat onze suikerspiegel dalen als er teveel glucose vanuit de voeding in het bloed komt. De pancreas vormt ook haar tegenhanger 'glucagon'. Die kan bij vasten de suikerspiegel weer doen stijgen. Helaas kan ook dit relatief onbekende orgaan lastig gaan doen. De kanker die er in kan ontstaan, is vrijwel niet te bestrijden en bij ontstekingen in het algemeen gebeurt er iets heel vervelends. Als de cellen waarin de verteringsenzymen gemaakt en opgeslagen worden, beschadigd raken, lekken ze uit deze 'verpakking' naar het omringende weefsel. Ze herkennen het eigen lichaam niet en gaan aan de slag. Met als gevolg dat ze het orgaan gaan oplossen en dan heb je natuurlijk gedonder in je buik.

Hoewel het lichaam (van mens of dier) deze uitbraak over het algemeen wel weer weet…op te lossen, gaat een pancreasontsteking gepaard met pijn, misselijkheid en verlies van eetlust en bijgevolg gewicht. Dus ernstig ongemak. Het is zaak dat, zolang als nodig, al deze klachten worden onderdrukt.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

30 januari 2018

 

SOCIALE COMPETENTIE (5) FUNCTIE

SOCIALE COMPETENTIE (5): FUNCTIE

Onze menselijke cultuur heeft als fundering het 'leren'. Overdracht van informatie en handelingen van ouders naar kind of leeftijdsgenoten onderling. We richten er scholen voor in. Waarbij het niemand ontgaat dat een groot deel van je leven, in ieder geval vrijwel je hele jeugd maar ook vaak tot in lengte van jaren, wordt ingenomen door het doel steeds meer te weten en steeds meer te kunnen. Naast de verplichte onderwijsroute die op vier- à vijfjarige leeftijd start, beoefenen we in die jonge jaren vaak ook nog een sport, al of niet in groepsverband. En niet zelden leren we ook nog een muziekinstrument bespelen. Naast het officiële leerdoel waarom we naar school, sport of muziek gaan, ontmoeten we het liefst veel en gevarieerde soortgenoten die allemaal in het zelfde schuitje zitten. En zo ontwikkelen we sociale kennis en kunde, waardoor we later beter met elkaar kunnen communiceren naast het feit dat we dezelfde taal spreken. Beter met elkaar kunnen omgaan, omdat we 'alles' al een keer gezien hebben. Het gezin en de buurt waarin je opgroeit spelen daar ook een cruciale rol in. Al met al een leven vol leren.

Dat dieren van elkaar leren is algemeen bekend binnen hun eigen soort. Ze spelen met elkaar en doen elkaar snel na. Kittens in hetzelfde nest jagen op elkaar en leren zo de vaardigheden om een muis of ander prooidier te vangen. En denk maar aan de oudere hond in huis die bij de aanschaf van een nieuwe pup heel wat taken in de opvoeding zal overnemen van de baas. Maar leren van andere soorten is redelijk ongebruikelijk. Dat honden mensen nadoen en daardoor snel handelingen leren, zinvolle taken of alleen spel, is inmiddels wel logisch te noemen. Honden zien ons, zoals we eerder bewezen zagen, letterlijk als soortgenoten. Toch blijft het bijzonder om te ervaren hoe makkelijk en graag honden ingewikkelde handelingen nadoen en zich zodoende eigen maken. Zeker, maar niet alleen, als er een prettige beloning tegenover staat. Daardoor is de hond niet alleen per definitie een lief en gezellig dier, maar kan een onmisbare rol spelen als politiehond of als helpende hond bij mensen met een beperking.

In eerste instantie zijn die nuttige eigenschappen (van destijds al de oerhond) de aanleiding geweest om ooit met dit dier in zee te gaan: De oorspronkelijke functies die de hond ooit kreeg toebedeeld, zoals het drijven en bewaken van vee, hulp bij het jagen en het gebruik als trek- of lastdier. Er zou tegenwoordig nooit een hond als huisdier zijn geweest als die kenmerken destijds niet waren herkend en benut...

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

23 januari 2018

EXOTEN

Exoten zijn dieren die leven in een land, maar er van oorsprong niet thuishoren. Met als bemerking dat ergens in de geschiedenis alle diersoorten ergens voor het eerst verschijnen voordat ze er voor het eerst zijn.

Evolutietechnisch ontstaan uit eencellige zeediertjes eerst vissen die aan land reptielen worden, waaruit vogels en zoogdieren ontstaan. Over een hele lange periode in het bestaan van de aarde komen er op deze manier diersoorten die ergens thuishoren. Anderzijds breiden soorten zich uit en nemen delen van continenten in bezit en overschrijden op deze manier landsgrenzen. Vanuit de omgeving gezien zal een periode van veranderend klimaat er voor zorgen dat diersoorten zich verplaatsen naar gebieden met een voor hun bekend klimaat, omdat ze daar blijkbaar ook goed kunnen leven. En vanuit de diersoort gezien, passen individuele dieren en later hun nakomelingen zich aan, aan een iets ander klimaat dat toevallig naast hun eigen leefgebied gelegen is.

Exoten zijn echter diersoorten die plotseling ergens verschijnen waar ze voorheen niet thuishoorden. De fazant in Nederland is een bekend voorbeeld ervan. Hij werd ingevoerd door de Romeinen. Beschouwen we hem dan na 2000 jaar nog steeds als exoot? Niet veel mensen zullen hem zo bekijken, maar het is en blijft een importsoort die er nooit zelf voor koos in onze contreien te gaan leven, maar zich er na loslating noodgedwongen heeft aangepast.

De groene halsbandparkiet die grote delen van grote steden verovert, is een recenter voorbeeld. Ooit losgelaten vanuit een kooi of zelf ontsnapt. Net als de Chinese Wolhandkrab die in ballastwater van schepen een onvrijwillig transport onderging, maar het in zijn nieuwe leefgebied reuze naar zijn zin heeft. Althans, zo lijkt het. Hoewel je natuurlijk mag beseffen dat een diersoort zich op basis van zijn overlevingsdrang al gauw zal uitbreiden als er geen roofdieren zijn in hun nieuwe omgeving die het op hen hebben gemunt. Zoals dat lang gedacht werd van de halsbandparkiet. Maar recent onderzoek naar de voeding van slechtvalken in Amsterdam wijst uit, dat de helft bestaat uit halsbandparkieten. De andere helft is duif.

Ik lees een boek over de 106 in Nederland voorkomende zoogdieren en werd bevangen door een ernstig gevoel van onderkennis, totdat ik me realiseerde dat alle zoogdieren die in Nederland ooit zijn gevonden in dit aantal is meegenomen. Inclusief alles wat in de Noordzee aan dolfijnen en walvissen langskwam in de afgelopen honderd jaar of als vleermuis vliegend ons luchtruim heeft aangeraakt…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

16 januari 2018

SOCIALE COMPETENTIE (4) ANTROPOMORFISME

De hond en de mens komen als verschillende ‘dier’soorten erg dicht bij elkaar en er vindt zelfs een unieke vermenging plaats door de mogelijkheid om onderling hoog ontwikkelde sociale banden te laten ontstaan. Dit in contrast met de relatie tussen de kat en zijn ‘baas’, beter gezegd bediende.

Voelt en uit een hond zich dan ook op dezelfde manier als een mens zodra het gaat om emoties: boos of jaloers, vrolijk of verdrietig enzovoorts? Dat is een vraag waar de psychologie zich over buigt. Als een huisdier steeds meer als een medemens wordt aangezien noemen we dat Antropomorfisme. Het betekent ‘van menselijke gedaante’(Antropo-mens, morfus-gedaante.) De term wordt gebruikt wanneer menselijke eigenschappen en waardeoordelen worden toegeschreven aan niet-menselijke wezens zoals dieren en planten of zelfs dingen.

Bij blijheid en angst klopt dit. Het zijn eenvoudige basale uitingen. Als wij denken dat tijdens het spelen met de hond deze dat leuk vindt, omdat er sprake is van gedrag dat vergelijkbaar is met onze uitingen van enthousiasme en blijheid, dan klopt dat aardig. Als de emoties ingewikkelder worden dan dat, wordt het echter anders...

Honden die een regel overtreden en daarom streng worden toegesproken, lijken schuldig te kijken maar zijn in werkelijkheid bang voor straf: Angst. Of ze nu wel of niet schuldig zijn aan de overtreding, zodra ze streng worden toegesproken kijken ze allemaal hetzelfde en weten niet wat schuldig of niet schuldig is. Kinderen zullen bij onterechte bejegening gaan protesteren of verongelijkt kijken. Honden niet, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Lees deze tekst maar eens streng voor aan uw hond en kijk of dat klopt.

Testen die gedaan zijn bij honden om te zien of ze in staat zijn menselijk verdriet te herkennen, bevestigen zonder meer dat dit het geval is. Honden gaan gemakkelijk naar baby’s, kinderen en ook volwassenen toe zodra zij huilen. Veel vaker dan wanneer die mensen vrolijk zijn of gewoon praten. Zijn honden nu ‘empatisch’? Dus herkennen ze de gemoedstoestand van de mens in dit geval ‘het verdriet’? Tonen ze ‘medelijden’ door naar de baas toe te gaan en deze zelfs vaak even aan te raken? Het geluid van huilende mensen heeft sterke gelijkenis met dat van zoogdieren (waaronder de honden zelf) in nood. Het maakt de hond gestrest. Dat is aangetoond met bloedonderzoeken. De hond herkent niet zozeer het verdriet maar wordt angstig van het hele gebeuren en komt daarom schuilen bij de baas. Geen empathie of medelijden. Wel heel fijn om samen te zijn.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

9 januari 2018

VAATINGROEI

Ondanks het feit dat de halfjaar oude pup een oogje toekneep, alsof ze knipoogde, zag het er niet charmant uit. Behalve de uitschakeling van de functie van één oog door de oogleden stijf op elkaar te brengen, liep er regelmatig een traan vanuit de binnenste ooghoek over de reeds gevormde traanstreep langs de neusrug naar beneden. En omdat het geheel niet fijn aanvoelde, wreef ze steeds met haar voorpoot over haar oog en snuit.

Het was al wat langer aan de gang. De traanstreep kleurde de er in vervatte witte haren al lichtbruin, wat er op wijst dat de chemische werking van het traanvocht al een tijdje op de vacht had ingewerkt. Zelfs de haren van de bewuste voorpoot waren wat mee verkleurd. Het bijbehorende verhaal klopte met die snelle constatering. Ruim een week geleden was de pup weer eens als een dwaze door bosjes gerend als favoriet onderdeel van een dolle bui. En thuisgekomen viel voor het eerst het knijpen met de oogleden op. Verder was er aan het oog volgens de eigenaar niet veel te zien.

In de dagen erna leek het verschijnsel minder erg te worden, maar gisteren laaide het weer op, zodat ze nu op het spreekuur waren gekomen. Inspectie van de oogbol viel uiteraard niet mee omdat deze handeling het dier niet aanstond. Maar met wat geduld en beleid werd het probleem zichtbaar. Behalve algehele roodheid van de vliezen rond het oog, werd er na kleuring (druppeltje fluorescerende kleurstof) op het heldere venster (hoornvlies) een diepe kras zichtbaar.

Krassen op het hoornvlies worden door het oog op twee verschillende manieren benaderd, afhankelijk van de ernst zoals diepte of een infectie die zijn intrede doet. De simpele beschadigingen genezen met behulp van voedingsstoffen die het oogvocht aanlevert. Enerzijds vanaf de buitenkant in de vorm van traanvocht dat rijkelijk gaat vloeien en zo ook een schoonspoelende werking heeft. En anderzijds van binnenuit omdat het oog een met vocht gevulde bol is, waarvan de inhoud zich ook voortdurend ververst: Dus aanvoer van nieuwe bouwstenen en tevens afvoer van afvalstoffen.

Naar de wat ergere verwondingen worden tijdelijke bloedvaatjes gestuurd die vanuit het oogwit gaan ingroeien en zo een kluwen van vaatjes gaan vormen rond de beschadiging. De stoffen die nodig zijn in het genezingsproces kunnen zo veel sneller worden getransporteerd.

Dat laatste was bij het puppy het geval. Omdat er ook een ontstekingsbeeld ontstond, kwam de situatie er opeens slechter voor te staan. (Het blijft als eigenaar belangrijk oog te houden voor kwetsbare beschadigingen.) Met een intensieve therapie die voornamelijk uit vaak zalven bestaat, komt het, op een klein littekentje na, wel weer goed. 

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

5 januari 2018

SOCIALE COMPETENTIE (3) VERLATINGSANGST

De hechte band tussen moeder en baby is vergelijkbaar met die tussen hond en baas. De sterkte van die band is te testen. De standaardmethode hiervoor is het plaatsen van moeder en haar baby in een kamer. Na gewenning wordt er gekeken hoe het kindje zich gedraagt als er een vreemde binnenkomt. Een hechte band kenmerkt zich door het ervaren van de moeder als veilige haven waar het kindje als reactie naartoe kruipt zodra dingen spannend worden. Zoals de vreemdeling die niet als 'eigen' wordt ervaren. Bij een slecht ontwikkelde hechting gebeurt deze reactie niet. En wat blijkt: precies dezelfde onderzoeken geven enkel en alleen bij honden en hun baas exact dezelfde resultaten.

Zodra men deze testen uitvoert bij wolven die óók vanaf pup door baasjes zijn opgevoed, zoeken de wolvenpups net zo makkelijk 'hulp' bij de vreemdeling: Geen hechting aan de vertrouwde persoon. Het zijn tam gemaakte wilde dieren zonder het hechtende vermogen dat de hond zo specifiek maakt ten opzichte van zijn andere medesoort: de mens. Verder blijkt dat eenmaal goed gesocialiseerde honden, ongeacht de leeftijd, weer opnieuw een hechte band kunnen opbouwen met een nieuwe baas. Bijvoorbeeld na adoptie uit een asiel. Bijzonder en praktisch.

Als er bij kind of pup in de jeugdige ontwikkelingsfase van de hechting te weinig aandacht wordt gegeven, kan er verlatingsangst ontstaan. Hoe? In vroeger tijden mocht de hond er in deze ontwikkelingsfase vanuit gaan ook andere mensen en soortgenoten te ontmoeten. De wereld was opener. Als een hond nu te geïsoleerd in een huis of appartement wordt grootgebracht, zonder al die noodzakelijke ontmoetingen, kunnen er gedragsproblemen ontstaan zoals verlatingsangst.

Verlatingsangst bij de hond uit zich tijdens afwezigheid van de 'baas', door langdurig geblaf, uitbraakpogingen die lijken op vernielingen en onzindelijkheid uit angst niet te kunnen ontsnappen. Het dier heeft niet kunnen leren dat als de baas van huis is, het huis zelf ook veiligheid biedt. Het vertrouwen dat de baas terugkomt, is er niet.

Hard is de conclusie uit dit soort onderzoeken, dat mensen die zelf moeite hebben met het leggen van contacten of het vragen van hulp aan anderen, dit gedrag vaker op hun hond overdragen dan sociaal vrijere mensen. De hechting tussen mens en hond vindt niet goed plaats door gebrek aan sociale steun als de hond daar behoefte aan heeft. De baas is veel afwezig of er wordt niet beschermend ingegrepen wanneer het dier in zijn jonge ontwikkeling een confrontatie heeft die bedreigend voor hem lijkt. Alles draait om 'je samen veilig voelen' en dan: Samen de wereld aan kunnen!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

29 december 2017