HERFSTKATJES

Als na de kerst er in de dagen méér in plaats van minder daglicht komt, start de kat weer met haar voortplantingscyclus. Zowel bij de kater als de poes gaan de geslachtsklieren na een tijdje rust weer aan de slag. Bij jonge dieren, nog niet eerder seksueel actief, gaat de machinerie nu voor het eerst draaien. Of ze nu 7, 8, 9 of 10 maanden oud zijn, maakt dan niet eens veel verschil. Het toenemende daglicht werkt sterker. Sterilisatie van de ‘jongeren’ vóór de kerst is daarom minder logisch dan erna, hoewel er verder niets op tegen is.

Nadat in de loop van de eerste maanden van het jaar dekkingen hebben plaatsgevonden in de groep katten die niet ‘geholpen’ is, worden er negen weken later nestjes met kittens geboren. Een week of tien verder zitten we al in mei en wordt de ‘markt’ overspoelt met jonge poesjes. Het is jaarlijks de periode waarin de vraag náár kittens omslaat in de vraag naar plááts voor kittens. De zomer door werpt hier en daar een moederpoes en in de herfst gebeurt dat ook. Daarna volgt een winterstop om precies de tegenovergestelde reden, namelijk de daglichtlengte verkort en de hormoonproductie vertraagt.

Onlangs kwam op de praktijk een kitten van een week oud die in de problemen raakte. Het kleintje dronk vanaf de geboorte al moeizamer dan de rest van het nestje en dreigde achter te blijven. We mogen ons altijd realiseren dat de gewichtsverdeling in een nest jonge dieren heel vaak niet gelijk is en er bijgevolg een zwaarste en een lichtste in het nest is. Waarmee niet gezegd mag dat de lichtste ook gelijk tè licht is. Maar in dit specifieke geval was dat wel zo. En ook de anderen in het nest vond ik niet om over naar huis te schrijven.

De term ‘herfstkatjes’ viel onvermijdelijk, duidend op de zwakte van het wat traag opgroeiende nest. En hoewel het herfst is, verwijzen we de term inmiddels naar het rijk der fabelen. In vroeger tijden was het voor de poezen in dit deel van de wereld evolutietechnisch een groot voordeel om in het vroege voorjaar de jongen op de wereld te helpen. Dan groeiden de jongen op in aangenaam weer en was er volop voedsel omdat ook de vogels en muizen er hetzelfde over dachten. Die doen dat nog steeds, maar voor de huiskat is het leven er sterk op vooruitgegaan. Kittens in de herfst krijgen binnen net zoveel warmte en hetzelfde aanbod aan voedsel als de voorjaarsexemplaren. Daarmee komt voor de huiskat het begrip herfstkatje in werkelijkheid te vervallen, maar blijft het in figuurlijke zin bestaan. Net zoals een miskoopauto als monster niet echt maar spreekwoordelijk op maandagochtend in elkaar gezet zal zijn.

De oorzaak was dat de moeder niet genoeg melk gaf. Niet door tekort aan voedsel, de verzorging was prima, maar door het gegeven dat sommige moeders nou eenmaal niet genoeg melk hebben om hun jongen groot te brengen. En dan zijn de zwakkeren (vaak de kleinsten maar niet per definitie) het eerst aan de beurt om tekorten aan energie op te lopen, waarop ze in coma raken en dreigen te sterven: Bijvoeden!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

5 december 2017

SOCIALE COMPETENTIE (1) HECHTING

De hond is als enige diersoort erin geslaagd om te kunnen deelnemen in de gemeenschap van een heel andere diersoort dan zijn eigen soort, namelijk de mens. En daar heb je volgens psychologen een sterke ‘sociale competentie’ voor nodig. Voor mensen onderling is die competentie noodzakelijk, omdat je anders geen normale relatie met elkaar kunt aangaan. Sociale competentie wordt namelijk gedefinieerd als ‘de mogelijkheid van een mens, of in dit geval ook de hond, om zijn behoeften en verwachtingen af te kunnen stemmen op de groep zodat je ook in die groep past’. Oftewel je kan relaties aangaan: je moet je agressie in goede banen weten te leiden. Je wordt geacht regels te leren en je daar aan te houden, hulp te bieden waar nodig en je hoort deel te kunnen nemen aan activiteiten die de groep organiseert. Pittig, want we zullen allemaal wel iets uit deze brede definitie als onze niet sterkste kant ervaren...

Wolven hebben van nature al die ingrediënten van een sociale competentie ook. Onderling wel te verstaan. Binnen hun eigen soort. Zoals veel dieren die hoger of lager ontwikkeld zijn: Olifanten die voor hun jongen opkomen zodra deze in gevaar dreigen te komen (ze gaan er in een cirkel omheen staan met hun koppen richting het gevaar). Hyena’s die de ouderen uit de groep beschermen door als sterker jonger dier voorop of juist achterop te lopen, afhankelijk van waar de vijand zich wellicht bevindt. Vogels die hun foeragerende groep alarmeren bij dreigend gevaar. De acties in deze voorbeelden zorgen er allemaal voor dat je aan een groep kunt deelnemen om deze succesvol te laten zijn. Groepen van je eigen diersoort. Niet aan groepen van een andere soort.

Er zijn in de natuur zeker voorbeelden te vinden van diersoorten die, voor eigen gewin, een stukje overlap hebben met andere diersoorten. Er is bijvoorbeeld een vogel die over een groep stokstaartjes waakt alsof hij deel uitmaakt van die groep. Vanuit de positie hoog in een boom overziet hij de savanne waarop de stokstaartjes leven en doet bij dreigend gevaar exact de alarmroep van hen na. Als de groep stokstaartjes daaraan is gewend en de vogel vertrouwt, doet de vogel de alarmroep ook na zodra de stokstaartjes voor hem interessant voedsel boven de grond hebben geploeterd. Weg groep. De buit is nu voor hem alleen. Uitermate gewiekst, getuigend van intelligentie en vermogen om te leren, maar niet van een sociale competentie.

En dan nu die honden. Ze laten zich niet alleen door hun baas voederen en genieten bescherming in zijn nabijheid, onderdak in zijn huis en ontvangen zijn liefde met open poten, maar gedragen zich hierin wederkerig. Ze komen bij dreigend gevaar voor hun baas op, niet zelden met gevaar voor eigen leven. Bieden een helpende bek waar nodig, bijvoorbeeld als er iets moet worden gehaald of gebracht. Hond en baas lezen elkaars emoties en dat verschijnsel heeft volgens psychologen opvallend veel weg van de relatie die bij mensen een moeder heeft met haar kind…

Wordt vervolgd.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

28 november 2017

TUSSENWEG

Ik staar naar onze 16 jaar oude poes. Ze slaapt op de bank. Voor je gevoel dag en nacht. Ze is niet meer van het rennerige type. Nooit geweest overigens. Ze aanschouwt de wereld om haar heen met een principieel gelaten blik alsof ze zeggen wil dat ze het best vindt dat iedereen om haar heen rent maar dat het aan haar niet is besteed. Ze wijkt voor niets en niemand. Schrikt niet als je aan komt stuiven of door de deur komt zetten. Nooit gedaan. Dat ze nu flink doof is, heeft er niets mee te maken. Je moet altijd om haar heen, ze zal geen stap verzetten.

Ze komt in beweging als ik in de stoel voor de tv zit. Niet gelijk maar wel altijd. Ze settelt zich op je schoot of borst en sluit gelijk weer de ogen. Omdat dat blijkbaar beter slaapt, want gezellig kan je het niet noemen vanuit haar point of view. Dat wij het wel aandoenlijk vinden, boeit haar vast niet. Het zet me aan het denken. Als zij ooit definitief de ogen sluit, al of niet door mijn eigen toedoen, dan heeft ze het rustigste denkbare leven geleid. Ondergaan beter gezegd. En wij maar rennen. Je vraagt je af wie het nu goed doet. Uit-einde-lijk kijkt niemand terug op een juist of onjuist leven. Want dat gaat heel lastig vanuit je laatste rustplaats.

Voor wie is wat juist. Leef je voor jezelf. Of voor je gezin als iets groter geheel. Ben je betrokken bij de mensen in je straat. Heel de wijk... Nederland of internationaal. Laat je je leiden door voorkeuren voor ras, geloof of seksuele geaardheid. Of geef je niets om mensen in het algemeen en staan dieren je veel nader. Onder het mom van ‘als je de mensen leert kennen, ga je vanzelf van dieren houden…’ 

Hoe langer je erover nadenkt, hoe moeilijker het wordt om niet te verdwalen in troosteloze gedachten over hoe het met de wereld moet. Overbevolking. Energie en milieu. Consumptie en afval. Dictatorschap of democratie. Fanatisme. Vrijheid van meningsuiting. Gaat dat over het uiten of over de mening? En wat je daar dan mee doet. Uiten in woorden of ook in daden. En wat voor daden. Want niet iedereen deelt je woorden, laat staan je daden. Kijk maar hoe IS-leden hun standpunten opblazen. Daden genoeg. Al lang niet meer uit geloofsovertuiging, dat gaat er bij mij niet in. Meer een excuus voor het uiten van de agressie die verankerd zit in onze soort. Kijk maar naar de geschiedenis. Ieder geloof heeft onder die noemer kunnen doodslaan. Het heeft niets met het geloof zelf te maken.

De ogen sluiten voor het verdriet van anderen, zeuren over afvalscheiding of een vervelende windmolen in het uitzicht, geen behoefte hebben om het licht achter je uit te doen… helpt allemaal het definitief te doven. Zonder enige passie niets doen geeft een passief einde. Fanatici ongewenst een actief maar toch einde. Tussenweg…?

Dan onze kat! Die produceert vooral schijtbaar afval, is seksueel neutraal, verplaatst zich alleen bij hoge uitzondering en kan ook met minder licht prima uit de voeten. Ze leidt al met al een vredig en vooral zéér zéér energiezuinig leven...

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

21 november 2017

VIRUS (2)

In de vorige column was te lezen hoe bacteriën het leven zuur kunnen maken van mens, dier of plant. Ze eten of lossen na het binnendringen in het lichaam letterlijk hun omgeving op en zijn daar vaak ook niet erg kieskeurig in. Virussen daarentegen eten niet. Ze groeien ook niet. Maar planten zich wel voort. De manier waarop dit gebeurt heeft veel weg van lopende bandwerk in een fabriek. Alleen rollen er dan geen autootjes uit maar kant en klare virusdeeltjes.

Virussen bestaan uit een omhulseltje van eiwit met daarin een stukje erfelijk materiaal waarop beschreven staat wie ze zijn en hoe ze worden gemaakt. Op het omhulseltje zitten een paar hechtharen waarmee ze zich kunnen vasthechten aan de cel van hun voorkeur, want een voorkeur hebben ze als geen ander. Heel vaak diersoortspecifiek, wat bijvoorbeeld inhoudt dat ze de kat te grazen nemen maar de hond niet. Of juist de mens en niet hun huisdieren. Waarin dan ook nog vaak onderscheid wordt gemaakt tussen de jongen en ouderen binnen een soort zoals juist het kitten, de pup of het kind. Vandaar de benaming ‘kinderziekten’. Toch zijn er ook virussen die het niet zo nauw nemen. Het rabiësvirus, dat verantwoordelijk is voor het veroorzaken van hondsdolheid, slaat in principe aan in elk zoogdier dus zeker niet alleen honden.

De sterke voorkeur van virussen gaat verder, ze zijn ook nog vaak heel wééfselspecifiek. De één vergrijpt zich graag aan de lever. Denk maar aan hepatitis A, B, C, D of E bij de mens (F bestaat nog niet). Of het virus dat aids veroorzaakt, dat heeft een typische voorkeur voor onze immuuncellen. Maar ook het virus dat een longontsteking veroorzaakt, zal dan niet zo gauw de slijmvliezen van de keel aantasten. Terwijl de welbekende groep van verkoudheidsvirussen het speciaal gemunt heeft op de neus en zich dan (gelukkig) weer niet bemoeit met je longen.

Virussen hechten zich dus met hun hechtharen vast aan hun doelcel. Om in de cel te komen versmelt bijvoorbeeld het eerder genoemde omhulseltje met de celwand (wordt hier één mee), waarbij het erfelijk materiaal (met daarop het bouwplan van het virus!) automatisch in de cel wordt uitgestort. Of het virus injecteert zijn blauwdruk op een actievere manier de cel in. Hoe dan ook, als dit erfelijk materiaal in de gastheercel zit, laat het zijn informatie aflezen in de eiwitfabriek van die cel en die gaat er mee aan de gang. Het wordt gelijk zijn ondergang want hij maakt honderden nieuwe virusdeeltjes. De cel sterft hierdoor en barst open. Alle nieuwgevormde virusdeeltjes besmetten naastgelegen cellen die op dezelfde manier te werk gaan en het loodje leggen. Zo maakt het besmette lijf zelf de veroorzaker van zijn ziekte aan en zal daarna zijn best weer moeten doen om met behulp van zijn afweer al die deeltjes weer te vangen en te vernietigen. Het heeft iets buitenaards.

Bijzonder om te weten is dat vaccinvirussen bijvoorbeeld zo zwak zijn gemaakt dat ze slechts een paar vermenigvuldigingsrondes meegaan, alvorens het proces vanzelf weer stopt.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

14 november 2017

VIRUS (1)

Vroeger was een virus in onze beleving vooral een ziekteverwekker in het lichaam van een mens, dier of plant. Tegenwoordig denk je daar niet als eerste aan, je bent eerder bang om de controle te verliezen over je mobieltje, laptop of computer. We spreken dan overigens net zo goed van een besmetting. Waarom men deze insluiper ook in computertaal ‘een virus’ is gaan noemen, weet ik niet. Feit blijft dat ze hun besmetting in beide gevallen ingenieus uitvoeren met een variatie aan problemen tot gevolg.

Een virus is volgens de begrippen die de biologie hanteert niet eens een levend organisme. Dat is een bacterie duidelijk wel. Dat is een cel die allerlei levensfuncties vertoont. Een korte definitie van leven volgens Wikipedia is de volgende: ‘Leven is een systeem dat door middel van uitwisseling van energie en materiaal met de omgeving en door een inwendig metabolisme in staat is om zich in stand te houden, te groeien, zich voort te planten en zich aan te passen aan veranderingen in de omgeving, zowel op korte termijn (innerlijke en uiterlijke aanpassing) als op de lange termijn (evolutie).’

Bacteriën wisselen inderdaad stofjes uit (ze voeden zich) met hun omgeving, groeien daarvan en zijn daardoor in staat zich te vermenigvuldigen door zich simpelweg in tweeën te splitsen. Zo gaan ze van één naar twee, dan naar vier en vervolgens acht, zestien enzovoort. Gaat dit proces snel, dan wordt een mens of dier snel ziek en spreken we van een korte incubatietijd. Dit is de tijd die een ziekteverwekker nodig heeft om van het moment van besmetten te komen tot het moment van het veroorzaken van de eerste ziektesymptomen. Dat kan een dag zijn, maar ook weken of zelfs maanden.

Er zijn bacteriën die in de natuur verantwoordelijk zijn voor het verteren van blad dat in dit jaargetijde van de bomen valt. Anderen maken voor ons het water schoon. We noemen ze daarom nuttig. Ze kunnen ook helpen bij de vertering van het plantaardige voedsel in de darm van een cavia of paard of de voormagen van de koe. Ze spelen in dit soort processen niet zelden een hoofdrol. Zonder die bacteriën is het leven dan ook niet mogelijk voor deze dieren.

Niet echt nuttig zijn hun soortgenoten die ziekten verwekken, ze maken het leven op aarde bij tijd en wijle tot een hel. Denk maar aan de pestbacterie die in vroegere eeuwen hordes mensen naar de andere wereld hielp. TBC is ook een voorbeeld.

Hoe doen bacteriën dat en wat doen virussen anders. Als een bacterie het lichaam binnen dringt, eet hij van zijn omgeving: de cellen waaruit we zijn opgebouwd. Die raken daardoor beschadigd en sterven stuk voor stuk af. De aanvaller groeit en vermenigvuldigt zich waardoor de schade alleen maar groter wordt. Ze maken op deze manier letterlijk gaten in je lijf, met bijvoorbeeld abcessen tot gevolg. Veel bacteriën scheiden ook nog vervelende afvalstoffen af die niet zelden nog erger zijn dan de primaire schade door het ‘grazen’. De tetanusbacterie is daar een voorbeeld van, net zo als zijn broertje die botulisme veroorzaakt.

Wordt vervolgd.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

7 november 2017

NAGELLEED

Het was een aardig bloedbad in huis, zo vertelde de hondeneigenaar. Ik kon dat alleen maar bevestigen, het spoor volgende dat via het voorportaal en dwars door de wachtruimte de spreekkamer inliep. Ik zag de assistente een moment sip kijken. Die was net klaar met schoonmaken. Maar ze heeft een onverwoestbaar karakter dus aan die sipheid kwam snel een einde.

De eigenaar had de nagels van de hond willen knippen maar kwam niet verder dan de eerste teen. Daarin redelijk flink het levende gedeelte geraakt, ook wel het nagelbed genoemd. Dit is bij onze vingernagels (en teennagels) het deel dat blauw wordt als je er met een hamer op hebt geslagen of nadat je ermee klem kwam te zitten tussen de deur en de deurpost. Om maar eens iets te noemen. Het is een intensief doorbloed deel van de vinger of teen. Niet voor niets: Er worden continu heel wat bouwstofjes voor eiwitten door het bloed aangebracht om er een mooi model en vooral sterke nagel van te boetseren.

Door het normaal gesproken intensieve gebruik, horen de nagels in een vergelijkbaar tempo ook weer af te slijten. Omdat dit bij ons als mensen veelal niet lukt, gaan we ze bij tijd en wijle te lijf met een knipper of nog ouderwets met een nagelschaartje. Bij de gemiddeld wat luie huisdieren die niet achter een prooi aan hoeven te rennen, omdat ze het eten geserveerd krijgen, moeten we er als eigenaar op letten dat deze wonderlijke werktuigjes niet te lang worden. Want om er dan als dier op te moeten lopen, er mee te moeten klimmen of een zitstok mee vast te moeten houden, is niet meer grappig.

In dit geval was de schade beperkt tot slechts één nagel, de gevolgen waren namelijk gelijk duidelijk omdat er flink kort was geknipt. Zo nu en dan zien we voetjes waarvan er al meerdere nagels tekort zijn afgeknipt omdat de knip hier en daar net op de grens werd gezet. Sommige bloeden dan (nog) net niet, maar besluiten dat vrij snel alsnog te doen. Of men heeft het wat laat in de gaten. Mogelijk wordt er gedacht dat het heel snel weer vanzelf stopt.

Een tekort geknipte nagel, vooral als dit is gedaan met goed scherp materiaal, bloedt veel erger dan bijvoorbeeld een nagel die is (af)gebroken. Zoals ook een wond die door iets scherps is veroorzaakt veelal fanatieker bloedt dan ruw gescheurd weefsel zal doen. Bij scherpe sneden zijn alle randen van de verminkte bloedvaatjes mooi recht,glad. Terwijl een vaatje met een ruwe rand juist sneller dichtknijpt, omdat het signaal om dit te doen veel sterker is. Daarbij komt dat het ontstaan van bloedstolseltjes, om de vaatjes dicht te maken, sneller ontstaan op ruwe randjes. En ze hechten er ook makkelijker op, zodat er sneller een stevig propje ontstaat dat niet steeds weer losschiet door de hoge druk die het bloed heeft.

Te lange nagels zijn prima te knippen, maar let goed op het zogenaamde ‘leven’. En besef tegelijkertijd dat langere nagels automatisch ook een wat langer nagelbed hebben. Dus niet per definitie de lengte aanhouden die je voorheen gewend was bij je huisdier te zien: Bloedlink!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

31 oktober 2017

NIESZIEKTE

Eerlijk is eerlijk, ik kan het de eigenaresse van de kat die me aan huis laat komen niet kwalijk nemen dat ze denkt dat het dier in doodsnood zit. Het lijkt er ook verdacht veel op. Koortsig aanvoelen, benauwd en sloom worden en niet meer eten en drinken. Daar begon het mee. En dit is inderdaad allemaal niet handig voor een kat, want die moet elke dag wat eten. Daar waar een hond het best een paar daagjes zonder voeding kan doen, zeker als er wat reserve-energie aanwezig is op het lijf in de vorm van een laag(je) vet, daar is het voor een kat een regelrechte aanslag op het gestel en wel met name slecht voor de lever en de nieren. Die hebben heel snel te lijden van de vaak agressieve verhuizing van het reservevet uit de vetlaag die het dier gaat aanspreken, zodra er geen voedsel is dat kan voorzien in de energiebehoefte.

De neusholten liepen, na het aanslaan van de infectie, vol met snot en wel in dusdanige hoeveelheden dat er geen snufje lucht meer door wilde. Niezen heeft normaal tot doel om de hogere luchtwegen vrij te maken, maar bij een aandoening als deze is dat duidelijk onbegonnen werk. De vruchteloze pogingen maken het beeld er absoluut niet leuker op. En aangezien de kat een dier is dat tot het uiterste zal proberen om toch door zijn neus te blijven ademen, krijg je al met al een geluidsvol schouwspel dat er verdacht veel op lijkt dat de kat ‘aan het stikken’ is. Dat was het beeld dat de eigenaar voorgeschoteld kreeg.

Als het ècht niet anders kan, gaat ook de kat overstag en begint door zijn bekje te ademen. Inmiddels staan de ogen niet meer zuiver en de blik wordt ‘grieperig met een vleugje ergernis’. Hartstikke ziek. Maar stikken is gelukkig niet aan de orde. Het blijft meestal een infectie van de bovenste luchtwegen, de longen blijven dan goed functioneren. Omdat het neusslijmvlies over de hele linie gezwollen en geïrriteerd is, vertrekt het reukvermogen en bij de kat daarmee ook de lust om weer eens te gaan eten of zelfs te drinken. De uitdroging ligt daarom ook nog op de loer. De hoogste tijd om in te grijpen, want het gaat op deze manier duidelijk bergafwaarts.

Als we in staat zijn om oorzakelijke of van de gelegenheid gebruikmakende bacteriën de neusholtes uit te werken en/of het dier een handje te helpen om van een aanwezig virus af te komen, dan moet de achtergelaten ravage ook nog eens worden hersteld. Dus alleen een kuurtje tegen deze invasie zorgt er op korte termijn niet voor dat het ademhalen zomaar weer als vanzelf gaat. Een neusslijmvlies met een totale oppervlakte van heel wat vierkante meters (ingenieus opgerold in de neusholtes) is grotendeels geruïneerd. Genezing daarvan gaat tijd kosten. Eerder weken dan dagen zullen er verstrijken alvorens het niezen voorbij is, de lucht weer geruisloos door de neusholtes kan stromen, het reukvermogen is hersteld en er weer met smaak gegeten kan worden.

Vaccineren van het dier kan er voor zorgen dat dit hele vervelende spektakel de kat aan haar neus voorbij gaat.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

24 oktober 2017

BEWEGING

De jonge Berner Sennen pup van zeventien weken oud doet het prima. Hij eet alsof zijn leven ervan afhangt (dat doet het natuurlijk ook) en drinkt heel regelmatig over de dag. De droge brokjes wekken na het verorberen dorst op als ze gaan zwellen in de maag. Gedronken water, speeksel en maagsap worden als het ware continu door ‘de sponsjes’ geabsorbeerd en het lichaam merkt dat er weinig vocht in de darm komt. Drinken! Na vertering in de dunne darm haalt verderop de dikke darm een groot deel van het vocht er wel weer uit. De nieren voeren dit uiteindelijk af inclusief het te veel aan zouten en verder wat (in water oplosbare) verzamelde afvalstoffen. De einddarm ontdoet zich daarna van de onverteerbare delen: ontlasting.

In de auto gaat het tijdens het rijden met de pup net even anders. Door het gewiebel raakt bij deze pup, zoals bij sommige mensen ook het geval is, het evenwichtsorgaan van streek. Het lichaam beweegt passief en dat geeft verwarring. De roep om een stabiele horizon als je zelf niet actief beweegt, maakt dat er onbegrijpelijke signalen naar de hersenen gaan met de nodige stress tot gevolg. Zweten voor zover dat kan, duizeligheid en vervolgens denkt je maag-darmkanaal dat het tijd wordt om zich hoe dan ook te ledigen. Goedschiks of kwaadschiks: misselijkheid met braken en soms zelfs diarree.

Bij het pupje was het heftig. Eerst spugen en al snel kwam ook de ontlasting er steeds uit als de rit langer dan hooguit vijf minuten duurde. Het kostte het dier daarna minstens een uur om weer te hestellen, waar ik persoonlijk heel jaloers op werd, want ik ben pas de volgende dag weer volledig stabiel na een aanval van bewegingsziekte.

We hebben reisziektetabletjes voor de pup. Maar het is vooral ook zaak om het dier vertrouwd te laten worden met het autorijden. Want al snel staat het deze pup tegen om überhaupt nog de auto in te gaan, laat staan er door te worden vervoerd. Om te beginnen eerst maar een paar positieve ervaringen geven in de stilstaande auto en dit meerdere keren per dag een redelijk aantal dagen lang. Belonen is een onderdeel van deze fase, het gebruik van DAP (Dog Appeasing (‘sussen’) Pheromone) als spray is ook handig. Het is het nagemaakte feromoon dat de moederhond bij de tepels produceert en het maakt de pups rustig tijdens het zogen. Elke keer eerst een spraytje in de auto alvorens de hond er in gaat, helpt het (opnieuw) vertrouwd raken met de auto en remt het bekende paniekerige gevoel.

Als de auto op zich weer veilig lijkt, zijn we zo een weekje verder en is de volgende fase: het wennen aan een stilstaande auto met draaiende motor. Niet fijn voor het milieu maar dat is dan voor even geoorloofd. Als ook dit een aantal dagen goed gaat, mag er beweging komen. Opnieuw een paar keer per dag, beginnen met bijvoorbeeld een minuutje. En zo langzaam maar zeker de tijdspanne verlengen. Uiteindelijk zal de pup gewend moeten raken aan een normaal vervoer.

Elke rit opnieuw wel weer even rustig aan doen met het gaspedaal en de remmen...

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

17 oktober 2017

 

KALENDER

Het artikeltje waar mijn oog op viel ging over dames die een date hadden met mannen die kalend zijn. Nu ja, je kan er van houden als vrouw of je accepteert het. Het heeft misschien iets bedriegelijks dat je verliefd wordt op een leuke jonge knul met een bos haar en eenmaal in de fase dat je van elkaar houdt… valt bij hem geheel onvrijwillig de ene pluk haar na de andere uit, zonder er iets voor in de plaats te laten groeien.

Met een gekocht product zoals een tapijt, ga je terug naar de winkel. Met de mededeling dat je redelijkerwijze had mogen verwachten dat het in originele staat wat langer mee had mogen gaan. Maar ja, bij je vriend… geen haar op je hoofd die daar aan denkt!?

Er werd in het stukje gesproken over de mate waarin de date leed aan hoofdhaarloosheid. De ene dame vond een beetje kaal wel charmant terwijl de ander echt viel voor de bekende biljartbal. Er waren ook dames die de dates aangingen uit medelijden voor de knullen die anders wellicht nooit aan de vrouw zouden raken. Alsof het een regelrechte handicap is.

Dat de ene man kalender is dan de ander, is duidelijk als je om je heen kijkt. En dat het woord kalend bestaat als actieve vorm van steeds meer kaal worden en dat je pas na het voltooien van dit proces kaal of op z’n minst kaler bent dan voorheen, behoeft ook geen uitleg. Maar dat de één kalender is dan de ander, klinkt wel aardig maar is ook vreemd. Het zou kunnen inhouden dat er een verschil is in snelheid van kaal worden, maar volgens mij bestaat het woord alleen in de vorm van de kalender die je aan de muur hangt…

Overigens, de jaarkalender die wij gebruiken in Nederland kent zijn oorsprong in Egypte. Althans, hier hanteerden ze in de oudheid al 365 dagen in een jaar. De Juliaanse kalender, ingevoerd (in 45 voor Christus) door Julius Caesar himself, was een correctie hierop: 365,25 dagen in een jaar en elke 4 jaar (deelbaar door 4) een schrikkeljaar. Weer niet perfect want een zogenaamd zonnejaar duurt elf minuten korter. De Gregoriaanse kalender werd ingevoerd in 1582 en gelijk werd de achterstand van inmiddels tien dagen op dat ruim anderhalve millennium gecorrigeerd door in dat jaar na 4 oktober verder te gaan met 15 oktober. Als je in die tussenliggende dagen jarig geweest zou zijn, was je nog niet jarig!In de Gregoriaanse kalender zijn vanaf nu alle hele eeuwjaren die geen veelvoud zijn van 400, geen schrikkeljaar (ook al zijn ze dus wel deelbaar door 4).

Wie gebruikt er nog een kalender. Is de mobiel niet veel gemakkelijker? Toch zie je ze nog overal hangen. En datzelfde geldt voor de agenda. Ik heb hem nog heel lang in papieren vorm geadoreerd, maar ben een aantal jaren geleden toch omgegaan. Jolanda zweert er nog bij, zoals vele anderen. Naast elkaar, digitaal en op papier, werkt het zeker makkelijk. Reden temeer voor dochter Timone, die vorig jaar de tips aanleverde voor de honden-,katten- en vogelagenda’s, om dat dit jaar opnieuw te doen. Nu ook: de paardenagenda. Ze zijn weer verkrijgbaar aan de balies van het VCHN.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

10 oktober 2017