VIRUS (1)

Vroeger was een virus in onze beleving vooral een ziekteverwekker in het lichaam van een mens, dier of plant. Tegenwoordig denk je daar niet als eerste aan, je bent eerder bang om de controle te verliezen over je mobieltje, laptop of computer. We spreken dan overigens net zo goed van een besmetting. Waarom men deze insluiper ook in computertaal ‘een virus’ is gaan noemen, weet ik niet. Feit blijft dat ze hun besmetting in beide gevallen ingenieus uitvoeren met een variatie aan problemen tot gevolg.

Een virus is volgens de begrippen die de biologie hanteert niet eens een levend organisme. Dat is een bacterie duidelijk wel. Dat is een cel die allerlei levensfuncties vertoont. Een korte definitie van leven volgens Wikipedia is de volgende: ‘Leven is een systeem dat door middel van uitwisseling van energie en materiaal met de omgeving en door een inwendig metabolisme in staat is om zich in stand te houden, te groeien, zich voort te planten en zich aan te passen aan veranderingen in de omgeving, zowel op korte termijn (innerlijke en uiterlijke aanpassing) als op de lange termijn (evolutie).’

Bacteriën wisselen inderdaad stofjes uit (ze voeden zich) met hun omgeving, groeien daarvan en zijn daardoor in staat zich te vermenigvuldigen door zich simpelweg in tweeën te splitsen. Zo gaan ze van één naar twee, dan naar vier en vervolgens acht, zestien enzovoort. Gaat dit proces snel, dan wordt een mens of dier snel ziek en spreken we van een korte incubatietijd. Dit is de tijd die een ziekteverwekker nodig heeft om van het moment van besmetten te komen tot het moment van het veroorzaken van de eerste ziektesymptomen. Dat kan een dag zijn, maar ook weken of zelfs maanden.

Er zijn bacteriën die in de natuur verantwoordelijk zijn voor het verteren van blad dat in dit jaargetijde van de bomen valt. Anderen maken voor ons het water schoon. We noemen ze daarom nuttig. Ze kunnen ook helpen bij de vertering van het plantaardige voedsel in de darm van een cavia of paard of de voormagen van de koe. Ze spelen in dit soort processen niet zelden een hoofdrol. Zonder die bacteriën is het leven dan ook niet mogelijk voor deze dieren.

Niet echt nuttig zijn hun soortgenoten die ziekten verwekken, ze maken het leven op aarde bij tijd en wijle tot een hel. Denk maar aan de pestbacterie die in vroegere eeuwen hordes mensen naar de andere wereld hielp. TBC is ook een voorbeeld.

Hoe doen bacteriën dat en wat doen virussen anders. Als een bacterie het lichaam binnen dringt, eet hij van zijn omgeving: de cellen waaruit we zijn opgebouwd. Die raken daardoor beschadigd en sterven stuk voor stuk af. De aanvaller groeit en vermenigvuldigt zich waardoor de schade alleen maar groter wordt. Ze maken op deze manier letterlijk gaten in je lijf, met bijvoorbeeld abcessen tot gevolg. Veel bacteriën scheiden ook nog vervelende afvalstoffen af die niet zelden nog erger zijn dan de primaire schade door het ‘grazen’. De tetanusbacterie is daar een voorbeeld van, net zo als zijn broertje die botulisme veroorzaakt.

Wordt vervolgd.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

7 november 2017