VIRUS (2)

In de vorige column was te lezen hoe bacteriën het leven zuur kunnen maken van mens, dier of plant. Ze eten of lossen na het binnendringen in het lichaam letterlijk hun omgeving op en zijn daar vaak ook niet erg kieskeurig in. Virussen daarentegen eten niet. Ze groeien ook niet. Maar planten zich wel voort. De manier waarop dit gebeurt heeft veel weg van lopende bandwerk in een fabriek. Alleen rollen er dan geen autootjes uit maar kant en klare virusdeeltjes.

Virussen bestaan uit een omhulseltje van eiwit met daarin een stukje erfelijk materiaal waarop beschreven staat wie ze zijn en hoe ze worden gemaakt. Op het omhulseltje zitten een paar hechtharen waarmee ze zich kunnen vasthechten aan de cel van hun voorkeur, want een voorkeur hebben ze als geen ander. Heel vaak diersoortspecifiek, wat bijvoorbeeld inhoudt dat ze de kat te grazen nemen maar de hond niet. Of juist de mens en niet hun huisdieren. Waarin dan ook nog vaak onderscheid wordt gemaakt tussen de jongen en ouderen binnen een soort zoals juist het kitten, de pup of het kind. Vandaar de benaming ‘kinderziekten’. Toch zijn er ook virussen die het niet zo nauw nemen. Het rabiësvirus, dat verantwoordelijk is voor het veroorzaken van hondsdolheid, slaat in principe aan in elk zoogdier dus zeker niet alleen honden.

De sterke voorkeur van virussen gaat verder, ze zijn ook nog vaak heel wééfselspecifiek. De één vergrijpt zich graag aan de lever. Denk maar aan hepatitis A, B, C, D of E bij de mens (F bestaat nog niet). Of het virus dat aids veroorzaakt, dat heeft een typische voorkeur voor onze immuuncellen. Maar ook het virus dat een longontsteking veroorzaakt, zal dan niet zo gauw de slijmvliezen van de keel aantasten. Terwijl de welbekende groep van verkoudheidsvirussen het speciaal gemunt heeft op de neus en zich dan (gelukkig) weer niet bemoeit met je longen.

Virussen hechten zich dus met hun hechtharen vast aan hun doelcel. Om in de cel te komen versmelt bijvoorbeeld het eerder genoemde omhulseltje met de celwand (wordt hier één mee), waarbij het erfelijk materiaal (met daarop het bouwplan van het virus!) automatisch in de cel wordt uitgestort. Of het virus injecteert zijn blauwdruk op een actievere manier de cel in. Hoe dan ook, als dit erfelijk materiaal in de gastheercel zit, laat het zijn informatie aflezen in de eiwitfabriek van die cel en die gaat er mee aan de gang. Het wordt gelijk zijn ondergang want hij maakt honderden nieuwe virusdeeltjes. De cel sterft hierdoor en barst open. Alle nieuwgevormde virusdeeltjes besmetten naastgelegen cellen die op dezelfde manier te werk gaan en het loodje leggen. Zo maakt het besmette lijf zelf de veroorzaker van zijn ziekte aan en zal daarna zijn best weer moeten doen om met behulp van zijn afweer al die deeltjes weer te vangen en te vernietigen. Het heeft iets buitenaards.

Bijzonder om te weten is dat vaccinvirussen bijvoorbeeld zo zwak zijn gemaakt dat ze slechts een paar vermenigvuldigingsrondes meegaan, alvorens het proces vanzelf weer stopt.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

14 november 2017