CORPUS ALIENUM

In het kader van 1 April, ‘kikker in je bil’ hebben we nog een sneu gevalletje in de achtertuin rondfladderen… Zowel de kikker als ook de bil zijn normale zaken, alleen de combinatie is ietwat vreemd. Zo kun je als mens of dier normale voorwerpen op een vreemde plaats hebben in je lichaam. Medisch wordt dat ‘Corpus Alienum (CA)’ genoemd, vrij vertaald een ‘vreemd lichaam’ oftewel een verdwaald voorwerp.

Op de stok voor de vogelpindakaaspot zit regelmatig een pimpelmeesje met een lange houtsplinter in zijn bek, vlak boven de ondersnavel, dus onder de tong zegmaar. Het geval steekt een kleine cm lang uit en dat is best pittig als je zelf niet veel groter bent dan 5 cm. Ik baal ervan. Maar hij eet alsof het leven ervan afhangt. Met recht. Het besef dat met elke hap de splinter er eerder dieper ín, dan een beetje er uit gaat, doet me zeer. Je ziet hem regelmatig de snavel afvegen in een poging zich te verlossen van het euvel.

Vogels zijn slim. Een kraai zou met zijn poot de splinter pakken en uittrekken. Of een partner hebben die er aan zou gaan pulleken. Maar de hersenpaninhoud van de mees is niet toereikend. Hij moet ermee leven of sterven…

Een kunstheup of een stalen plaat op een eerder gebroken bot is per definitie niet een vreemd voorwerp, hoewel de beschrijving van het Corpus Alienum een lichaamsvreemd object is. Maar dit soort artikelen zijn er bewust inge‘plaat’st. De zwervende naainaald die ik enkele weken geleden uit de keel van een kwijlende kat opviste, die niet. Het stukje bamboe uit een andere kat haar bil ook niet. Een lang stuk scherpgras dat zich al een weekje in de slokdarm van weer een ander had gesetteld, eveneens niet.

Als je bewust vreemd materiaal in een lijf stopt, bijvoorbeeld een kunstbandje in de knie van een hond die zijn origineel aan flarden wist te scheuren door een krachtige maar ongelukkige beweging, dan hoop je van harte dat het lichaam er niet moeilijk over doet. De aanwezigheid ervan accepteert. Maar een splinter zweert er gelukkig uit. Meestal…

Ik was een jaar of tien toen iemand tijdens het zwaardvechten met stokken er mee op mijn hand sloeg. De wond werd een litteken dat maar bleef jeuken. Meer dan een jaar na dato was ik het zat en krabde zo hard dat het weer openging. Een stukje van de stok kwam vrolijk tevoorschijn en de jeuk was daarna weg. Nu nog graag een dergelijk wondertje bij Pimpel…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

3 april 2018