Vaccinaties

VACCINATIESCHEMA

De standaard vaccinaties bij de kat zijn gericht tegen aandoeningen die dodelijk zijn voor de kat of deze ernstig (blijvend) letsel kunnen toebrengen

9 weken:        Vaccinatie Tricat - tegen kattenziekte, niesziekte (calici- en herpesvirus) en eventueel chlamydia.

12 weken:      boostervaccinatie Tricat - kattenziekte, niesziekte en eventueel chlamydia

1 jaar:             Vaccinatie Tricat

Hierna een jaarlijkse boostervaccinatie waarbij Tricat  (twee niesziektevarianten inclusief kattenziekte) 1 x per 3 jaar wordt gegeven en de tussengelegen jaren alleen de Ducat-vaccinatie (de niesziektevarianten). Niesziekte heeft namelijk een jaarlijkse herhaling nodig en Kattenziekte één keer per 3 jaar.

2 jaar - Ducat

3 jaar - Ducat

4 jaar - Tricat, etc

 

Voor reizen naar het buitenland is de vaccinatie tegen hondsdolheid bij katten verplicht. Zie ook de vakantiefolder!

 


Tegen welke ziekten kan gevaccineerd worden?

Kattenziekte (panleukopenie)

BeschermenWordt veroorzaakt door het meest dodelijke virus bij de kat (90% sterfte).

Kattenziekte is hoofdzakelijk een aandoening van het maag-darmkanaal, waardoor de kat gaat braken en bloederige diarree vertoont. Er treedt heftige koorts op. Ook gaat de weerstand van het dier snel achteruit. Het gaat gepaard met erge buikpijn en uitdrogingsverschijnselen.

De vatbaarheid voor andere infecties neemt snel toe.

Besmetting treedt op door overdracht van het virus via braaksel en ontlasting. Ook via kleding en schoeisel van de eigenaar!

Niesziekte

Niesziekte is een verzamelnaam van virussen en bacteriën die een (ernstige) ontsteking veroorzaken van onder andere het neusslijmvlies (bekleding in de neusholtes) en de verdere bovenste luchtwegen, waardoor het vaak kenmerkende niezen en snotteren ontstaat,  

Verdere verschijnselen zijn de eventuele koorts, benauwdheid (longontsteking) ontsteking van de ogen (vuile ogen) en de slijmvliezen van de mondholte, tong en keel. Het eten en slikken wordt bemoeilijkt. Vaak stopt de kat met de opname van voedsel en water, mede omdat het dier niet meer kan ruiken. Het dier droogt uit en vermagert.

Katten die niet goed genezen blijven chronisch snotteren en niezen.

Overdracht door direct contact met oogvocht, neusuitvloei en speeksel, of indirect  aangedragen via kleding en schoeisel.