Bel voor een afspraak of spoed 0227 58 12 34

We brengen het weekend door in het huisje in Drenthe. In de voorafgaande weken vulden we thuis al heel wat uurtjes met het bijeen harken van de afgevallen bladeren in onze eigen tuin, het voetpad naast het huis en de weg voor de praktijk. Hier aangekomen beginnen we vol goede moed opnieuw.

Afgevallen blad in de borders laten we voor wat het is. Veel leven op en in de grond weet daar wel raad mee. Aangezien die grond haar kostbare voedingsstoffen een groot deel van het jaar afstaat aan de wortels van planten en bomen, moeten de reserves in deze groeiloze periode ook weer worden aangevuld, om zo de cyclus van het (bodem)leven in stand te houden. Ook dient het blad als een soort isolerende deken tegen al te agressieve lage temperaturen.

Maar bladeren op de paden en het terras zijn onhandig, hoewel het niet onaardig staat vind ik altijd. Het hoort bij de herfst en de winter. Blad op het gras is echter funest. De zon bereikt het immer groene vlak (behalve afgelopen zomer dan) niet meer en omdat licht nodig is voor de voortgang van het leven in elke grasspriet, sterft (bij afdekking door blad) het gras uiteindelijk af. En daar zijn we niet voor bezig. Het is hier op de zandgrond toch al een hele kunst om niet uiteindelijk met slechts een rijkelijk bemost zwart karig veldje achter te blijven…

De hoofdreden dat bomen hun bladeren verliezen is het gebrek aan water. Hoewel je dat niet zou zeggen in deze periode. Water genoeg. Maar door de uiteindelijk lagere temperaturen kunnen de wortels het niet meer opnemen en dan is het niet handig als je nog een kroon vol verdampend blad hebt. Je droogt dan uit als boom en sterft. Dus bedacht veel plantaardig leven dat bij het verminderen van het daglicht en het dalen van de temperaturen je maar beter voorbereid kunt zijn op wat komen gaat. De kostbare stoffen waaruit bladgroen bestaat worden eerst in hout en wortels opgeslagen, waardoor de bladeren de karakteristieke gele en rode kleur krijgen. Het zijn de kleuren van leeg gerausde fabriekjes die vervolgens worden afgesloten door een breekbaar kurklaagje te plaatsen aan het begin van elk bladsteeltje. Wind en zwaartekracht doen de rest.

Dezelfde bomen zouden dichter naar de evenaar hun bladeren blijven houden, ware het niet dat in veel van deze gebieden ook natte periodes worden afgewisseld door daadwerkelijk droge periodes en dan werkt het systeem opnieuw beschermend tegen uitdrogen van de planten en de bomen. Zouden we kunstmatig de aanvoer van voeding,warmte,water en licht in stand houden, dan groeit en bloeit alles vrolijk door. Daarom hebben we de kassen uitgevonden…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

11 december 2018

Tussen nèt wel nog voldoende hartfunctie… en nèt niet meer voldoende hartfunctie, zit een hele dunne ‘lijn’. Nog nèt voldoende houdt in dat een mens of dier de basale bewegingen kan doen zoals ademen, spreken, staan, zitten,wat rondlopen en hooguit licht werk. Er is geen sprake meer van enige reserve, zoals we die gebruiken als we even enthousiast de trap op rennen, een sprintje trekken of wat zwaardere arbeid verrichten gedurende niet al te lange tijd. Er is bij normaal doen geen benauwdheid. Eigenlijk weet het hart bij normaal doen zijn zwakte nog te compenseren door zijn uiterste reserves aan te spreken. Het werkt dan op het uiterste van zijn kunnen. Vaak wordt dit bij oudere dieren toegekend aan het ouder worden. De wandelingen zijn al aardig beperkt in lengteduur en intensiteit, het spelen is er niet meer bij.

Zodra het hart door verder verslechteren net niét meer kan voldoen aan de minimale vraag voor lichte activiteiten, zoals een paar stapjes lopen, dan wordt het echt zeuren. We spreken van ‘decompensatie’ van het hart’ want compenseren vanuit de inmiddels volledig verdwenen reserve is niet meer mogelijk. Het bloed dat bij het hart komt, wordt als het ware in de wacht gezet. Vooral de linker hartkamer, die het zwaarste werk moet doen omdat die het lichaam van bloed moet voorzien, laat te wensen over. Het bloed dat via de rechter hartkamer door de longen wil, komt er veel te traag en verlaat de longen ook te traag. Het wordt dringen. De ragfijne bloedvaatjes in dit longweefsel hebben geen zin in files en laten van ellende het vocht (met name water) uit het bloed sijpelen naar het omringende weefsel. Ze gaan als het ware werken als een zeef, waarbij de rode bloedcellen wel in het systeem blijven maar het vocht niet. Het wordt er door de steeds nieuwe bloedaanvoer als het ware uitgeperst.

Vocht in de longen. Met hoesten tot gevolg, omdat het vrije vocht de hoestprikkel opwekt. Het lichaam wil er vanaf. Los vocht in de longen door een slecht werkend hart wordt hartwater genoemd en zit op de plek waar lucht hoort te zitten. Het bloed neemt daardoor minder zuurstof op. Er treedt benauwdheid op en bijgevolg ook cyanose. Dat is de benaming voor de paarsblauwe kleur die te zien is op de huid en slijmvliezen. De frisrode kleur danken we aan voldoende zuurstof in het bloed. Bij onvoldoende zuurstof kleurt het bloed veel donkerder rood en zien we vooral de kleur van de aderwanden en die tonen blauwer.

Hartfalen is een ander soort van blauwtje lopen. Veel definitiever….

 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

4 december 2018

We testen reflexen om te onderzoeken of de reflexroute nog in tact is (en kijken gelijk in hoeverre het dier zich bewust is van de prikkels die we geven). De meest bekende reflextest bij mensen is het tikje met een hamertje onder de knie op de pees die de knieschijf verbindt met de bovenkant van het scheenbeen. Door het tikje trek je als het ware kortstondig aan de grote strekspier (quadriceps) van het bovenbeen die de knieschijf op zijn plek houdt en die bij aanspannen ter hoogte van de knie het been strekt. Je bootst eigenlijk een plotse kortstondige buiging na die normaal gerealiseerd wordt door de grote kniebuigers achterop het bovenbeen (hamstrings). Het been denkt: ‘hoezo plots buigen van de knie’ en geeft als tegenreactie een streksignaal. Dit gaat sneller dan dat je bewust je been zou strekken en je kunt het ook niet tegenhouden. Daar kom ik nog op terug.

Die correctiesnelheid door het totale spierstelsel is nodig om niet steeds vreemd scheef te staan of als een kaartenhuis in elkaar te vallen. Je hoeft er niet ingewikkeld bij na te denken. Gelukkig niet. Want de stand van elk gewricht wordt elke fractie van een seconde gemonitord door talloze kleine spiersensoren (spierspoeltjes) en dus continu bijgesteld om een stevige basis te vormen voor het bewuste bewegen dat we doen. Die onbewuste spierspanning op alle gewrichten staat onder de regie van het ruggenmerg. Niet de hersenen. De reflexroute moet namelijk zo kort mogelijk zijn. Van spierspoeltje naar ruggenmerg en direct de nodige correctie weer terug naar de spier. Zo staat iedere spiervezel in je lijf steeds op de juiste spanning. Als je daar over na moet denken, moet het signaal eerst helemaal via de hersenen en die afstand is simpelweg veel langer. We zouden schokkeriger staan.

Van ieder gewricht is te testen of het signaal nog fatsoenlijk werkt. En zo niet, dan weten we dat er op de route file staat en is het belangrijk om te weten waar en waarom die blokkade er is en vooral of er ook wat aan te doen is. Dat is de reden dat ik bij hondje Dirk die met een wiebelende achterhand op de onderzoekstafel staat of op alle vier de pootjes de reflexen nog in orde zijn. Door elk voetje naar achteren om te buigen en hem in die stand weer terug te zetten op de tafel. Normaal lukt dat niet. Het contact tussen de tafel en de bovenkant van het voetje activeert direct het zogenaamde stelreflex en doet de voet weer op de zooltjes belanden. Voor was goed. Achter niet…..

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

27 november 2018

Toen ik van de plaatselijke lagere school naar de eenvoudig gebouwde maar gezellige en overzichtelijke dependance van een hele grote middelbare school ging, belandde ik in een redelijk gevulde brugklas die al snel redelijk hecht werd. Ondanks het feit dat er verschillende groepjes werden gevormd en ook pesten niet werd uitgesloten, verliep dat eerste jaar redelijk gladjes. En zo volgden er nog eens twee jaren in mijn geboorteplaats Leiderdorp, als onderdeel van de school die oorspronkelijk in Leiden staat. Er werden in die eerste drie jaren klassenavonden georganiseerd, waarbij dan een voor ons zeker toffe klassenleraar betrokken was. Daar bovenop vierden we als klas ook veel leerling-verjaardagen op de vrijdagavond van de meestal desbetreffende week. Er werd veel gepraat, vrij- en ook spannend gedanst. Er werd hier en daar wat gekust. En hoewel alcohol niet was toegestaan, werd met die regel zo nu en dan stiekem een pootje gelicht. (Er werd gesmokkeld in onbeduidende flesjes met dito inhoud.) Royal Club Shandy was in de mode (‘Sneeuwwitje’) en werd geloof ik oogluikend toegestaan (een vijfde deel pils met viervijfde deel 7-up). ‘Fris met een ietsje (0.5%) alcohol’ was de slogan die Royal er toen op na hield.

Ik was in mijn middelbare schooltijd niet altijd de braafste. In de klas redelijk brutaal naar het gezag als ik dacht dat er iets niet eerlijk verliep. Altijd in voor een stevige discussie. Maar ook erg verlegen en met drank had ik niks. Rottige combinatie. Bier vond ik bitter en ook wijn was niet aan mij besteed. Sterke drank vond ik te sterk en het enige wat ik dan nog wel aardig vond was bessen-Up. Een glas 7-up met een scheutje bessenjenever. Niet erg mannelijk zeg maar…

Wat me aan alcohol bij anderen al snel ging storen, was dat iedereen er minstens iets anders van werd. Niemand bleef zichzelf. De één werd zogenaamd lollig hoewel ik toe zal geven dat dat regelmatig veel te lachen gaf. Anderen werden er uitermate chagrijnig van. Om over de boze dronk maar niet te spreken. Er werden zo nu en dan dingen uitgesproken die anders nooit ter tafel zouden zijn gekomen en dingen gedaan met spijt achteraf. Ik had het op mijn zestiende wel bekeken. Alcohol was en is aan mij niet besteed. Nog los van het feit wat misbruik van alcohol aanrichtte in ooit spannend gestarte relaties of in het verkeer. En toen was het vernietigende effect van zelfs kleine hoeveelheden alcohol op je hersencapaciteit en het ontstaan van bijvoorbeeld borstkanker veel minder bekend.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

20 november 2018

Op de televisie zie ik zo nu en dan het programma ‘First Dates’ dat in verschillende landen wordt opgenomen. Onder andere in Engeland en Australië, maar er loopt ook een Nederlandse variant. Waarbij ik persoonlijk vind dat het Engelstalige ‘gestuntel’, zullen we maar zeggen, veel aandoenlijker lijkt dan de Nederlandstalige versie, waarbij het romantisch stuntelen veel kinderlijk over lijkt te komen…

Het draait om mensen die in een restaurant ‘blind’ gaan daten, maar wiens profielen wel goed bij elkaar gezocht zijn op basis van eerder vermelde voorkeuren. De leeftijden kloppen meestal redelijk, uiteraard is er naar de seksuele voorkeur gekeken, maar ook naar haar- en oogkleur en naar bouw. En dan zijn er uiteraard nog de karaktereigenschappen, afkomst en niet te vergeten de werk- en hobbyuitingen.

Uitermate boeiend en grappig, zijn tussendoor de interviewtjes van voor, tijdens en na het daten. Hoe lollig is het gesprekje vooraf, waarin soms een onwaarschijnlijk rijtje ‘eisen’ wordt benoemd. En de persoon die daarna in beeld komt met verdacht veel zo niet alle eisinwilligende eigenschappen. Het kan niet meer fout gaan, zul je denken. Maar de kunst van het kijken is toch nog te voorspellen of er toekomstmuziek wordt geschreven, of niet. Want je kunt nog zo veel voorkeuren uitgesproken hebben, het klikt of het klikt niet. Of een beetje…

Het eindigt meestal met een kort infomoment van wat er na deze eerste date is gebeurd, mocht men uitgesproken hebben dat er nog een vervolg zal gaan komen. Helaas een veel te beperkte weergave daarvan natuurlijk. Ik geef de voorkeur aan een inforeeks na een week, een maand, een half jaar, twee en vijf jaar. Want je blijft als kijker, na het kennismaken met de personen in beeld, toch een beetje met een kater achter. Maar ja…

Degene van het samen te stellen stel die zich het eerste aan de bar meldt, start er vrijwel altijd met een alcoholisch drankje, in afwachting van het verschijnen van de onbekende partner. Heel normaal aan een bar, zo’n drankje. Tegen de spanning. Tegen de zenuwen. Noem maar op. Hetgeen later bij het eten wordt vervolgd door wijn, bier of een of andere cocktail. Maar het zet me ook altijd aan het denken. Want tenslotte ontmoet je elkaar er niet helemaal eerlijk door. Tenzij je allebei in je profiel hebt laten noteren dagelijks veralcohold door het leven te gaan natuurlijk. Hoewel je natuurlijk in je relatie niet altijd de spanning hebt van het voor het eerst ontmoeten. Ook weer waar. Het wordt steeds ingewikkelder. Dat we nog niet zijn uitgestorven…

 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

13 november 2018

Als je vanuit een hart het zuurstofarme bloed, dat vanuit het hele lichaam komt, door de longen jaagt, waarom zou dit bloed daar dan opeens zuurstof opnemen, terwijl het zojuist nog zijn zuurstof heeft afgestaan aan bijvoorbeeld de spieren? Spieren hebben door hun harde werken, behalve veel energie, zuurstof nodig om die energie te kunnen verbruiken. Want zónder zuurstof kan een spier wel éventjes werken, er ontstaat dan melkzuur en een beetje energie uit de glucose (bloedsuiker), maar daarna houdt het snel op. Je hebt zuurstof nodig om de maximale energie-inhoud uit glucose te halen, zonder dat je je ‘werkmilieu’ vergiftigt met onafgewerkte stofjes.

Het antwoord is vergelijkbaar met een zwakke magneet die vast wel wat aantrekt als er veel ijzer is, terwijl bij weinig ijzer een sterkere magneet het van de zwakke magneet zal winnen en zijn ‘lading’ overneemt. Want in de longen is er door voortdurende verversing van lucht (ademen) en de efficiënte circulatie (heel veel dunwandige kleine bloedvaatjes), een overvloed aan zuurstof. Via het steeds verder vertakkende buizenstelsel naar en in de longen, te starten bij de neus- en mondholte, luchtpijp, zijtakken (bronchen) en zijtakjes (bronchiolen) gaat de ingeademde lucht pijlsnel naar de uiteinden van de allerkleinste buisjes: de longblaasjes (alveolen). De wand van een dergelijk klein blaasje is flinterdun en omgeven door hele kleine bloedvaatjes met daarin een lading rode bloedcellen.

Het zuurstofbindende rode eiwit hemoglobine in de (daarom) rode bloedcellen trekken niet heel sterk aan zuurstofmoleculen, maar hebben het in de longblaasjes letterlijk voor het oprapen en worden ermee verzadigd. Na hun transport via het pompende hart naar de eerste de beste spier moet de rode bloedcel zijn lading afstaan en doet dit omdat het zuurstofbindende rode spiereiwit nu met de naam myoglobine in het zuurstofarme (continu verbruik) spiermilieu duidelijk harder trekt aan zuurstof dan hemoglobine. Je moet er maar opkomen.

Op een vergelijkbare manier kan een drachtig moederdier, via de onwaarschijnlijke rijkdom aan bloedvaatjes in de moederkoek, zuurstof van háár hemoglobine afstaan aan het hemoglobine van haar vrucht. Het hemoglobine van een ongeborene bestaat uit een sterker soort zuurstofbindend eiwit in de rode bloedcellen dan dat van de moeder. Zuurstof wil daar dus veel liever aan vast haken, zodat de ongeborene voldoende zuurstof naar zich toe haalt.

Na de geboorte vergemakkelijkt de zuurstofopname voor de zuigeling plotseling enorm, doordat het zelf gaat ademen. Teveel zuurstof is ook niet goed, dus dit is het startsignaal voor het beenmerg om in enkele weken tijd de sterkere variant hemoglobine af te breken (het tijdelijk geel worden van een baby) en te vervangen door de gewone variant!

 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

6 november 2018

De twee eierstokken bij het teefje leveren meerdere rijpe eicellen af tijdens de loopsheid. Het is de vruchtbare periode die ongeveer elk half jaar tevoorschijn komt bij de meeste van onze huishonden. (Wilde honden worden één keer per jaar vruchtbaar.) Alles is er dan klaar voor. De eicellen op de gezwollen en goed doorbloede eierstokken staan op springen of zijn reeds in de eileiders beland. De baarmoeder is vergroot en voorzien van een mooi vochtig en voedzaam slijmvlies, waarin bevruchte eicellen alle kans maken om zich er in te vestigen. Wordt het teefje niet gedekt en volgt er dus geen dracht, dan gaat het hele voortplantingssysteem op rust. Vanuit de hersenen worden de eierstokken niet meer geactiveerd waardoor ze minder doorbloed raken en kleiner worden. Ook het ‘baarhuis’ krimpt, omdat deze niet actief gehouden wordt door hormonen uit de eierstokken.

Als de opgroeiende vrouwelijke hond een keertje loops is geworden, is ze zogenaamd seksueel volwassen maar nog te jong om al een nestje te hebben. Net als meisjes bij mensen is de groei van het vrouwelijke hondenlichaam onvoldoende voltooid om fatsoenlijk de klap te verwerken van drachtig zijn, werpen en voeden. Wel wordt er vanuit medisch oogpunt dringend geadviseerd om 3-4 maanden na die eerste loopsheid en uiterlijk diezelfde periode na de tweede loopsheid over te gaan tot castratie, waarbij de eierstokken worden verwijderd. Want dat is wat er bij ‘sterilisatie’ van het teefje gebeurt. Het dier wordt hierdoor seksueel neutraal en de baarmoeder verschrompelt tot slechts een strengetje. De ingreep voorkomt dan vrijwel zeker de ontwikkeling van tumoren in het melkklierweefsel en de kans op een verraderlijke BaarMoeder Ontsteking (BMO) is nihil.

Zo nu en dan komt de mening voorbij dat sterilisatie van het teefje onnatuurlijk zou zijn. Inderdaad. Dat is het. Net zo ‘onnatuurlijk’ de ontwikkeling van huisdieren op zichzelf is. Laat staan ze de dekking iedere keer te onthouden, waardoor het systeem steeds opnieuw loos eindigt, hetgeen funest is voor het steeds geactiveerde melkklierweefsel en de baarmoeder. Ze raken uiteindelijk ontregelt met soms desastreuze gevolgen voor het uiteraard ‘onnatuurlijk’ oud wordende teefje. Niet iedereen is hiervan op de hoogte gezien het feit dat we nog steeds teefjes (bijna) verliezen aan de verraderlijke baarmoederontsteking. Die ontstaat in het geniep en de duidelijke ziektesymptomen verschijnen vaak pas als het lichaam (met name de nieren) er al behoorlijk of zelfs onherstelbaar door is beschadigd.

De laatste BMO die ik operatief uit een teefje van rond de 35 kg moest verwijderen, bevatte meer dan vier liter pus. Om maar een indruk te hebben…

 

 

 

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts,

30 oktober 2018

HARD

Heb het hart eens… Oftewel waag het niet. Het hart op de tong hebben: Alles wat je stoort, gooi je er ook gelijk in woorden uit. Een groot hart hebben: Daar past dan blijkbaar veel liefde in. Iemand met een grote mond gekoppeld aan een klein hart is zachtaardiger dan je denkt. Hoewel er dan niet veel liefde in kan…

Veel spreekwoorden en gezegden gebruiken het hart en dat is begrijpelijk als je bedenkt dat je geen minuutje zonder kunt. De angst dat het stopt, boezemt angst in. Het kloppen van de twee boezems oftewel de twee bovenste hartkamers in samen werking met de ventrikels of onderste hartkamers zorgt er voor dat het bloed het hele lichaam wordt rondgepompt. En het klopt dat dit pompen klopt. Het geluid dat je hoort is het dichtslaan van kleppen die voorkomen dat het bloed weer terugstroomt in de kamers waar het zojuist is uitgeperst. Bij het uitpersen duwt het bloed de klep open in de stroomrichting van het bloed, zoals het toegangshekje op de grotere treinstations. En bij de rustfase, na het samenknijpen, klapt hij dicht doordat het bloed terug wil naar de lege holte. Net zoals dat toegangshekje jou niet toestaat terug te lopen eens het achter je is dichtgeklapt.

Het zijn terugslagkleppen die gezekerd zijn tegen het doorklappen in de verkeerde richting doordat er kabeltjes aanwezig zijn die dat tegengaan. Het verschil in klank tussen de twee verschillende harttonen die je hoort, wordt veroorzaakt door eerst het gelijktijdig samenknijpen van de twee bovenkamers (hogere toon) en direct daarna het samentrekken van de twee onderkamers (lagere toon).

Het hart is een dus holle spier met vier compartimenten. Twee boven en twee onder. De minder sterk bespierde boven‘kamers’ (met de naam ‘boezems’) hoeven minder werk te verzetten dan de sterkere onderkamers, waarvan de linker onderkamer weer harder moet werken dan de rechter. De volgorde van de ruimten die het bloed passeert is als volgt. Het zuurstofarme bloed dat uit het lichaam komt, vanuit je tenen tot aan je kruin, komt via steeds groter wordende aders uiteindelijk in je rechter bovenste hartruimte. Als deze is gevuld, knijpt hij samen en duwt het bloed in de eronder liggende rechter onderkamer. Makkie. De rechter kamer moet iets sterker zijn, hij pompt zijn inhoud naar en door de longen heen. Zuurstof wordt opgenomen en het bloed komt in de linker bovenste hartruimte, die het weer in de linker (onderste) kamer duwt. Daarna komt het echte werk. De sterk bespierde linker onderkamer pompt het door de rest van het hele lichaam en dat is hard werken.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

23 oktober 2018

Als op het spreekuur Dibbes verschijnt, zie ik dat hij kreupel uit de wachtkamer komt. En op de spreekkamertafel blijkt hij een diepe snee te hebben in één van de voetzooltjes onder de voorvoet. Trappen in iets scherps zoals blik of glas is veelal de oorzaak. Pijnlijk. Vooral omdat bij iedere steunname de snede opensplijt en zo een kloof dreigt te worden, mede omdat de randen van de snede in beginsel al hard zijn. De toplaag van een voetzool is per slot van rekening heel stug materiaal…

Hechten gaat zo één twee drie niet, daar is het weefsel veel te hard voor. Maar het moet niet gaan ontsteken. De V-vormige groeve zal dicht gaan groeien vanuit de diepte, maar tegen de tijd dat de wond in het goed doorbloede gedeelte van het kussentje redelijk is gevuld met dit nieuwe littekenweefsel, wijkt de dikke laag eelt nog steeds: Omdat hoorn, net als haren en nagels, niet meer aan elkaar kan groeien. Om dit manco op te lossen, groeien de eelt vormende cellen zijdelings vanuit de randen van het diepste gedeelte van het eelt over het littekenweefsel heen. Vervolgens gaan zij eelt aanmaken in het zelfde gewone tempo als de rest van de voetzool. Omdat tijdens het lopen het oude eelt nog steeds de grond raakt, slijt dit af. Het steeds dikker wordende nieuw gevormde laagje op het littekenweefsel ligt veilig in de diepte en komt pas aan de beurt voor het mee slijten als alles weer op gelijk niveau is gekomen.

Hoe oud denkt u dat Dibbes is? Automatisch hebben we de neiging om aan een ouwe Dibbes te denken. Als iemand je een ‘ouwe dibbes’ noemt kan dat neerbuigend overkomen, maar het is juist positief bedoeld. Het woordenboek vermeldt ‘gemoedelijke persoonsaanduiding’. De oorsprong komt waarschijnlijk van ‘dibberen’ dat in het Bargoens (‘dieventaal’) gezellig kletsen betekent.

Op zoek naar de achtergrond van de ouwe dibbes kom ik, iets heel anders, het ‘ondergeschoven kindje tegen’. Van de hak op de tak wellicht, maar het antwoord op de vraag waar dat vandaan komt, lag voor het oprapen: Het stamt uit de tijd dat een gezin in één of twee (luxueus!) bedsteden de nacht doorbracht. Het was niet meer dan een diepe afsluitbare kast in de woonkamer. Te smal om als volwassene gestrekt te liggen. Overdag was de deur gewoon dicht, zodat je in het kleine huis geen extra slaapkamers hoefde. In een groot gezin was er geen plaats voor het laatste kindje, dat dan maar in de vaak aanwezige lade half onder het bed werd geschoven.

Dibbes is overigens een hond van nog net geen anderhalf jaar oud…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

16 oktober 2018

Back to Top