Bel voor een afspraak of spoed 0227 58 12 34

De tong is een bijzonder lichaamsonderdeel gelegen in de mondholte. De beweeglijkheid ervan geschiedt door een unieke combinatie van spieren die onderling verbonden zijn, maar ook aangehecht zijn, aan de zogenaamde minder bekende tongbeenderen. Een belangrijke functie van deze spieren is er voor te zorgen dat voedsel op de juiste manier in de mond wordt heen en weer bewogen en zo tussen de kiezen komt. Zonder er zelf tussen te geraken. En dat is een kunst op zich…

De functie van de tong verschilt enorm per diersoort. De slang brengt er bijvoorbeeld geurmoleculen mee uit de buitenwereld naar het orgaan van Jacobson dat zich in zijn gehemelte bevindt. En omdat de tongpunt gespleten is, is de slang in staat stereo te ruiken via twee verschillende openingen in dat orgaan. Omdat de linkerpunt in een geurspoor een andere concentratie waarneemt dan de rechter. Zo bepaalt de slang de richting waarin zijn prooi ging aan de hand van afnemende en oplopende concentratie van de te ruiken moleculen in de lucht! Fantastisch! Nooit meer iets kwijt…

Veel grazers gebruiken hun tong niet alleen bij het (her)kauwen van hun voedsel, maar is het ook een werktuig om planten mee vast te pakken en af te scheuren. Bij het wegslikken van speeksel, water en voedsel heeft de tong de functie het geheel naar achteren in het keelgat te duwen.

De tong kan bezaaid zijn met gevoels- en smaakreceptoren, die vorm, structuur, consistentie en smaak weergeven. Zoet, zuur, zout, bitter en umami. Dat laatste is het Japanse woord voor ‘hartigheid’ (ook: ‘heerlijkheid’…). Het is de waarneming van glutamaat (een onderdeel van eiwit, namelijk een aminozuur). Glutamaat wordt daarom ook zeer vaak als smaakversterker aan ons eten toegevoegd.

Bij mensen is het spreken vrijwel onmogelijk zonder de tong. Bij vachtdieren begrijpen we gelijk dat het onderhoud van de vacht een onoverkomelijk probleem wordt als ze die haardos niet meer met hun tong kunnen bewerken. En precies dat laatste verraadt vaak dat er in de mondholte iets mis is. Dat kunnen ook problemen zijn van het gebit en het bijbehorende tandvlees. Pijn in de mondholte nodigt niet uit tot poetsen.

Als op het spreekuur kat Jip verschijnt die duidelijk tekort schiet in de vachtverzorging, moeite heeft met het oppakken van kattenbrokjes en het wegwerken ervan, is van de totale inspectie de mondholte als eerste aan de beurt. Onder en in de tongbasis zit een fors gezwel gegroeid dat het bewegen van de tong aanzienlijk beperkt. Zelfs het wegslikken van doorlopend gevormd speeksel blijkt lastig te zijn, zodat het uit haar bekje lekt. Bij het slapen druppelt dat onder andere op de voetjes van de voorpoten, waardoor deze extra zijn vervuild.

Één verkeerde plek op één verkeerde plaats. Kwaadaardigheid ten top…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

15 januari 2019

De bouw van de praktijk en het woonhuis is gestart in de zomer van 1990 en voltooid in het voorjaar van 1991. De bouwnormen vereisten een bepaalde mate van isolatie, zoals de dikte van het dakbeschot, dubbel glas en vloerisolatie. Maar wat er in die tijd gangbaar was, is nu allang weer achterhaald. Zo nu en dan is de tijd rijp en de moed op te brengen om wat te vernieuwen. De isolatie van de vloer is dit keer aan de beurt. De noodzaak om goed te isoleren staat niet ter discussie en eigenlijk gaat dit verhaal daar ook niet over.

Zolang ik onder de vloer bezig ben (of even wat spullen haal en gelijk een luchtje schep) staat het luik open. Op de deur tussen de hal en de woonkamer hangen aan beide zijden A4-tjes met duidelijk de tekst de deuren gesloten te houden in verband met de katten. Maar ja… Als Timone de trap af komt, ziet ze één van onze poezen gebiologeerd in het kruipgat kijken en ze beseft gelijk dat die wel naar de brutaalste van het stel zal zitten te kijken. Als ik in het gat duik, zie ik nog net met gang een witte staart de praktijk inzeilen, maar dan onder de vloer.

Ik kan me herinneren dat vlak na de bouw een toenmalig exemplaar er ook op ontdekkingstocht ging. Die kwam wat later bespinnenwebd weer spontaan bovengronds en daar ging ik nu ook weer van uit, hoewel het me ook niet lekker zat. Ik snap best dat het er leuk is om rond te rennen. Er zijn genoeg verhalen te vertellen over ons gezin waar de kruipruimte een centrale rol speelt. En eigenlijk is dat raar, want meer dan op je knieën en ellebogen kruipen kan je er niet. Maar wel heel lang.

Als na twee uur nog niks van dat stoere joch vernomen is en mijn avondspreekuur al bezig is, vraag ik Timone een rondje te kruipen… Niet te vinden. Nog maar eens een rondje. Als mijn patiënten even 'op' zijn, vergezel ik haar. Ze meldt één keer drie miauwtjes gehoord te hebben en als ze het nadoet horen we het opnieuw achter een muurtje, waar we snel omheen kruipen. We zitten inmiddels onder het halletje van de praktijk waar het dier half verborgen op een stapel reserve dakpannen zit en het is nog even peuteren voor ik hem goed en wel in m'n armen heb.

Ter plekke zit daar een tweede kruipgat in de vloer dus ga ik 'gewoon' staan, onderwijl het luik met mijn hoofd omhoog duwend. Ik kijk door het glas de wachtkamer in, recht in de sterk vergrootte ogen van een eigenaresse en haar hondje die zojuist te horen had gekregen van de assistente dat de dierenarts er 'zo' aankomt.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

8 januari 2019

Jona is een Chihuahua van 3 kg. Dat is behoorlijk kleiner dan de gemiddelde kat, maar zeker niet klein voor zijn soort. En als Jona loopt, dan gaat dat in principe vlotjes, totdat er plotseling, klaarblijkelijk zonder duidelijke aanleiding, een hapering optreedt in de snelle pasjes die hij tijdens zijn dribbelgangetje maakt. Het is net alsof het rechter achterpootje stijf wordt en niet meer wil buigen. Met soms gelijktijdig een pijnuiting, maar niet altijd.

De oplossing die Jona noodgedwongen tegen dit haperen gebruikt, is het pootje in gestrekte toestand naar achteren steken en gelijktijdig er wat mee jutteren. Alsof er een onderdeeltje is vastgelopen dat weer los getrild moet worden. Het is niet leuk om te zien. Na wat snelle korte pasjes volgend op deze actie lijkt alles weer redelijk normaal. Totdat het noodlot opnieuw toeslaat.

In de spreekkamer is de oorzaak gauw achterhaald omdat dit verhaal bij een kleine hond zogenaamd pathognomonisch is voor een regelmatig ontsporende knieschijf. ‘Pathognomonisch’ is een bijna zwaar en misschien ouderwetse woord voor een groepje van symptomen die met zekerheid duiden op één specifiek ziektebeeld. Niet op een andere mogelijkheid dus. Het is een Grieks woord dat vertaald ‘ziekte weten’ betekent. En omdat dit ook iets arrogants in zich heeft, staat het je uiteraard vrij om sluitend bewijs aan te leveren.

Bij Jona is dat vooral het lichamelijk onderzoek, waarbij ik zeer geïnteresseerd ben in twee zaken. Hoe los zit rechts de knieschijf en hoe is het met de linker knie gesteld. Dit laatste omdat deze aandoening niet zelden aan beide knieën voorkomt, waarbij één van de twee meestal erger is aangetast. De minst erge kant wordt daardoor veel sterker belast, daar de vervelendste kant door de pijn en het ongemak het meest wordt ontzien. Omdat een zwaardere belasting meer spieropbouw betekent en meer spieren rond een gewricht een betere stabilisatie geven van in dit geval de ‘zwabberende’ knieschijf, werkt het eerder verbeterend dan verslechterend aan de minst erge kant.

Rechts heeft Jona goed voelbaar een vrij losse knieschijf (‘patella’) die al met een klein zetje ontspoort en ook redelijk gemakkelijk weer goed te duwen is. Links is er geen abnormale beweging in te krijgen. Gunstig dus. Als een knieschijf permanent naast (in plaats van òp) de knie ligt en niet meer terug te plaatsen is, spreken we van de ergste gradatie van wat we patellaluxatie (‘knieschijf uit de kom’) noemen.

Operatief zetten we een zwabberend knieschijfje weer stevig in het juiste spoor en is het na een rustperiode van meerdere weken de bedoeling dat er getraind gaat worden. Om het spierkorset sterk te maken en het juiste loopje weer onder de knie te krijgen!

 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

4 januari 2019

In onze taal is een ‘onomatopee’ één van de vele stijlfiguren. Ik vind het een bijzonder vreemd woord en niet erg Nederlands klinken. En uitgerekend dit stijlfiguur heeft alles te maken met hoe iets klinkt. Dat hadden de bedenkers veel beter kunnen doen, in plaats van de samenstelling uit het Grieks over te nemen. Daarbij staat het eerste deel van het woord voor ‘naam’ (denk maar aan het Franse nombre) en het tweede deel betekent dan ‘maak’. Dus niet namaak maar naammaak. Was een leukere naam geweest voor dit stijlfiguur, al zeg ik het zelf…

Stijlfiguren gebruik je om indruk te maken op iemand. Het zijn woorden die je gebruikt om dat wat je wilt zeggen, treffender of sterker uit te drukken. Als men bijvoorbeeld aan voorwerpen menselijke eigenschappen gaat geven is dat een stijlfiguur, ‘Personificatie’ genoemd. Het vangt als het goed is direct je aandacht. In het voorbeeld ‘papier is geduldig’ is geduldig zijn een eigenschap van levende wezens. Niet van papier. Zo ook loeren in ‘het gevaar loert’ en lachen in ‘de toekomst lacht je toe’.

Het meest bekende stijlfiguur is wel het pleonasme waarbij overbodige woorden worden gebruikt. Zoals in de afkorting BOM moeder de M al voor moeder staat. Zo is een arme zwerver een pleonasme omdat zwervers per definitie arm zijn.

Een voorbeeld van een ander stijlfiguur is ‘Synesthesie’. Het is de combinatie van twee verschillende zintuigen. In ‘schreeuwende kleuren’ zijn horen en zien gecombineerd. In het hebben van een zogenaamde ‘warme stem’ zijn het kunnen voelen van temperaturen als zintuig en gehoor gecombineerd. ‘Kilblauw’ is een combi van de thermoceptie met het gezichtsvermogen.

Een ‘Onomatopee’ of ‘klanknabootsing’ is een stijlfiguur waarmee in één of meer (al dan niet bestaande woorden) fonetisch een geluid wordt beschreven of wordt gesuggereerd. Dat vermeldt het internet. Iemand kan bijvoorbeeld wel het geluid van een slang nádoen, maar daarmee staat het nog niet op papier. Het wordt beschreven als ‘sissen’. Zo wordt het geluid van ganzen gakken, van muizen piepen en eenden kwaken waar honden blaffen. Tjilpen. Maar ook het geluid van een samentrekkend middenrif, hikken, is een onomatopee. Kraken, zappen en zoemen zijn ook voorbeelden van onomatopeeën.

Op deze manier danken veel dieren hun naam aan het geluid dat ze maken. De koekoek is een goed voorbeeld. En de grutto. Oehoe, tjiftjaf. Zoals er ook muziekinstrumenten op die manier zijn benoemd. Gong. Fluit en toeter. En het geluid dat een poef voortbrengt als je er op gaat zitten is niet voor niets poefff en de zucht dit ding zonder (onomato)‘p’.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

18 december 2018

We brengen het weekend door in het huisje in Drenthe. In de voorafgaande weken vulden we thuis al heel wat uurtjes met het bijeen harken van de afgevallen bladeren in onze eigen tuin, het voetpad naast het huis en de weg voor de praktijk. Hier aangekomen beginnen we vol goede moed opnieuw.

Afgevallen blad in de borders laten we voor wat het is. Veel leven op en in de grond weet daar wel raad mee. Aangezien die grond haar kostbare voedingsstoffen een groot deel van het jaar afstaat aan de wortels van planten en bomen, moeten de reserves in deze groeiloze periode ook weer worden aangevuld, om zo de cyclus van het (bodem)leven in stand te houden. Ook dient het blad als een soort isolerende deken tegen al te agressieve lage temperaturen.

Maar bladeren op de paden en het terras zijn onhandig, hoewel het niet onaardig staat vind ik altijd. Het hoort bij de herfst en de winter. Blad op het gras is echter funest. De zon bereikt het immer groene vlak (behalve afgelopen zomer dan) niet meer en omdat licht nodig is voor de voortgang van het leven in elke grasspriet, sterft (bij afdekking door blad) het gras uiteindelijk af. En daar zijn we niet voor bezig. Het is hier op de zandgrond toch al een hele kunst om niet uiteindelijk met slechts een rijkelijk bemost zwart karig veldje achter te blijven…

De hoofdreden dat bomen hun bladeren verliezen is het gebrek aan water. Hoewel je dat niet zou zeggen in deze periode. Water genoeg. Maar door de uiteindelijk lagere temperaturen kunnen de wortels het niet meer opnemen en dan is het niet handig als je nog een kroon vol verdampend blad hebt. Je droogt dan uit als boom en sterft. Dus bedacht veel plantaardig leven dat bij het verminderen van het daglicht en het dalen van de temperaturen je maar beter voorbereid kunt zijn op wat komen gaat. De kostbare stoffen waaruit bladgroen bestaat worden eerst in hout en wortels opgeslagen, waardoor de bladeren de karakteristieke gele en rode kleur krijgen. Het zijn de kleuren van leeg gerausde fabriekjes die vervolgens worden afgesloten door een breekbaar kurklaagje te plaatsen aan het begin van elk bladsteeltje. Wind en zwaartekracht doen de rest.

Dezelfde bomen zouden dichter naar de evenaar hun bladeren blijven houden, ware het niet dat in veel van deze gebieden ook natte periodes worden afgewisseld door daadwerkelijk droge periodes en dan werkt het systeem opnieuw beschermend tegen uitdrogen van de planten en de bomen. Zouden we kunstmatig de aanvoer van voeding,warmte,water en licht in stand houden, dan groeit en bloeit alles vrolijk door. Daarom hebben we de kassen uitgevonden…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

11 december 2018

Tussen nèt wel nog voldoende hartfunctie… en nèt niet meer voldoende hartfunctie, zit een hele dunne ‘lijn’. Nog nèt voldoende houdt in dat een mens of dier de basale bewegingen kan doen zoals ademen, spreken, staan, zitten,wat rondlopen en hooguit licht werk. Er is geen sprake meer van enige reserve, zoals we die gebruiken als we even enthousiast de trap op rennen, een sprintje trekken of wat zwaardere arbeid verrichten gedurende niet al te lange tijd. Er is bij normaal doen geen benauwdheid. Eigenlijk weet het hart bij normaal doen zijn zwakte nog te compenseren door zijn uiterste reserves aan te spreken. Het werkt dan op het uiterste van zijn kunnen. Vaak wordt dit bij oudere dieren toegekend aan het ouder worden. De wandelingen zijn al aardig beperkt in lengteduur en intensiteit, het spelen is er niet meer bij.

Zodra het hart door verder verslechteren net niét meer kan voldoen aan de minimale vraag voor lichte activiteiten, zoals een paar stapjes lopen, dan wordt het echt zeuren. We spreken van ‘decompensatie’ van het hart’ want compenseren vanuit de inmiddels volledig verdwenen reserve is niet meer mogelijk. Het bloed dat bij het hart komt, wordt als het ware in de wacht gezet. Vooral de linker hartkamer, die het zwaarste werk moet doen omdat die het lichaam van bloed moet voorzien, laat te wensen over. Het bloed dat via de rechter hartkamer door de longen wil, komt er veel te traag en verlaat de longen ook te traag. Het wordt dringen. De ragfijne bloedvaatjes in dit longweefsel hebben geen zin in files en laten van ellende het vocht (met name water) uit het bloed sijpelen naar het omringende weefsel. Ze gaan als het ware werken als een zeef, waarbij de rode bloedcellen wel in het systeem blijven maar het vocht niet. Het wordt er door de steeds nieuwe bloedaanvoer als het ware uitgeperst.

Vocht in de longen. Met hoesten tot gevolg, omdat het vrije vocht de hoestprikkel opwekt. Het lichaam wil er vanaf. Los vocht in de longen door een slecht werkend hart wordt hartwater genoemd en zit op de plek waar lucht hoort te zitten. Het bloed neemt daardoor minder zuurstof op. Er treedt benauwdheid op en bijgevolg ook cyanose. Dat is de benaming voor de paarsblauwe kleur die te zien is op de huid en slijmvliezen. De frisrode kleur danken we aan voldoende zuurstof in het bloed. Bij onvoldoende zuurstof kleurt het bloed veel donkerder rood en zien we vooral de kleur van de aderwanden en die tonen blauwer.

Hartfalen is een ander soort van blauwtje lopen. Veel definitiever….

 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

4 december 2018

We testen reflexen om te onderzoeken of de reflexroute nog in tact is (en kijken gelijk in hoeverre het dier zich bewust is van de prikkels die we geven). De meest bekende reflextest bij mensen is het tikje met een hamertje onder de knie op de pees die de knieschijf verbindt met de bovenkant van het scheenbeen. Door het tikje trek je als het ware kortstondig aan de grote strekspier (quadriceps) van het bovenbeen die de knieschijf op zijn plek houdt en die bij aanspannen ter hoogte van de knie het been strekt. Je bootst eigenlijk een plotse kortstondige buiging na die normaal gerealiseerd wordt door de grote kniebuigers achterop het bovenbeen (hamstrings). Het been denkt: ‘hoezo plots buigen van de knie’ en geeft als tegenreactie een streksignaal. Dit gaat sneller dan dat je bewust je been zou strekken en je kunt het ook niet tegenhouden. Daar kom ik nog op terug.

Die correctiesnelheid door het totale spierstelsel is nodig om niet steeds vreemd scheef te staan of als een kaartenhuis in elkaar te vallen. Je hoeft er niet ingewikkeld bij na te denken. Gelukkig niet. Want de stand van elk gewricht wordt elke fractie van een seconde gemonitord door talloze kleine spiersensoren (spierspoeltjes) en dus continu bijgesteld om een stevige basis te vormen voor het bewuste bewegen dat we doen. Die onbewuste spierspanning op alle gewrichten staat onder de regie van het ruggenmerg. Niet de hersenen. De reflexroute moet namelijk zo kort mogelijk zijn. Van spierspoeltje naar ruggenmerg en direct de nodige correctie weer terug naar de spier. Zo staat iedere spiervezel in je lijf steeds op de juiste spanning. Als je daar over na moet denken, moet het signaal eerst helemaal via de hersenen en die afstand is simpelweg veel langer. We zouden schokkeriger staan.

Van ieder gewricht is te testen of het signaal nog fatsoenlijk werkt. En zo niet, dan weten we dat er op de route file staat en is het belangrijk om te weten waar en waarom die blokkade er is en vooral of er ook wat aan te doen is. Dat is de reden dat ik bij hondje Dirk die met een wiebelende achterhand op de onderzoekstafel staat of op alle vier de pootjes de reflexen nog in orde zijn. Door elk voetje naar achteren om te buigen en hem in die stand weer terug te zetten op de tafel. Normaal lukt dat niet. Het contact tussen de tafel en de bovenkant van het voetje activeert direct het zogenaamde stelreflex en doet de voet weer op de zooltjes belanden. Voor was goed. Achter niet…..

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

27 november 2018

Toen ik van de plaatselijke lagere school naar de eenvoudig gebouwde maar gezellige en overzichtelijke dependance van een hele grote middelbare school ging, belandde ik in een redelijk gevulde brugklas die al snel redelijk hecht werd. Ondanks het feit dat er verschillende groepjes werden gevormd en ook pesten niet werd uitgesloten, verliep dat eerste jaar redelijk gladjes. En zo volgden er nog eens twee jaren in mijn geboorteplaats Leiderdorp, als onderdeel van de school die oorspronkelijk in Leiden staat. Er werden in die eerste drie jaren klassenavonden georganiseerd, waarbij dan een voor ons zeker toffe klassenleraar betrokken was. Daar bovenop vierden we als klas ook veel leerling-verjaardagen op de vrijdagavond van de meestal desbetreffende week. Er werd veel gepraat, vrij- en ook spannend gedanst. Er werd hier en daar wat gekust. En hoewel alcohol niet was toegestaan, werd met die regel zo nu en dan stiekem een pootje gelicht. (Er werd gesmokkeld in onbeduidende flesjes met dito inhoud.) Royal Club Shandy was in de mode (‘Sneeuwwitje’) en werd geloof ik oogluikend toegestaan (een vijfde deel pils met viervijfde deel 7-up). ‘Fris met een ietsje (0.5%) alcohol’ was de slogan die Royal er toen op na hield.

Ik was in mijn middelbare schooltijd niet altijd de braafste. In de klas redelijk brutaal naar het gezag als ik dacht dat er iets niet eerlijk verliep. Altijd in voor een stevige discussie. Maar ook erg verlegen en met drank had ik niks. Rottige combinatie. Bier vond ik bitter en ook wijn was niet aan mij besteed. Sterke drank vond ik te sterk en het enige wat ik dan nog wel aardig vond was bessen-Up. Een glas 7-up met een scheutje bessenjenever. Niet erg mannelijk zeg maar…

Wat me aan alcohol bij anderen al snel ging storen, was dat iedereen er minstens iets anders van werd. Niemand bleef zichzelf. De één werd zogenaamd lollig hoewel ik toe zal geven dat dat regelmatig veel te lachen gaf. Anderen werden er uitermate chagrijnig van. Om over de boze dronk maar niet te spreken. Er werden zo nu en dan dingen uitgesproken die anders nooit ter tafel zouden zijn gekomen en dingen gedaan met spijt achteraf. Ik had het op mijn zestiende wel bekeken. Alcohol was en is aan mij niet besteed. Nog los van het feit wat misbruik van alcohol aanrichtte in ooit spannend gestarte relaties of in het verkeer. En toen was het vernietigende effect van zelfs kleine hoeveelheden alcohol op je hersencapaciteit en het ontstaan van bijvoorbeeld borstkanker veel minder bekend.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

20 november 2018

Op de televisie zie ik zo nu en dan het programma ‘First Dates’ dat in verschillende landen wordt opgenomen. Onder andere in Engeland en Australië, maar er loopt ook een Nederlandse variant. Waarbij ik persoonlijk vind dat het Engelstalige ‘gestuntel’, zullen we maar zeggen, veel aandoenlijker lijkt dan de Nederlandstalige versie, waarbij het romantisch stuntelen veel kinderlijk over lijkt te komen…

Het draait om mensen die in een restaurant ‘blind’ gaan daten, maar wiens profielen wel goed bij elkaar gezocht zijn op basis van eerder vermelde voorkeuren. De leeftijden kloppen meestal redelijk, uiteraard is er naar de seksuele voorkeur gekeken, maar ook naar haar- en oogkleur en naar bouw. En dan zijn er uiteraard nog de karaktereigenschappen, afkomst en niet te vergeten de werk- en hobbyuitingen.

Uitermate boeiend en grappig, zijn tussendoor de interviewtjes van voor, tijdens en na het daten. Hoe lollig is het gesprekje vooraf, waarin soms een onwaarschijnlijk rijtje ‘eisen’ wordt benoemd. En de persoon die daarna in beeld komt met verdacht veel zo niet alle eisinwilligende eigenschappen. Het kan niet meer fout gaan, zul je denken. Maar de kunst van het kijken is toch nog te voorspellen of er toekomstmuziek wordt geschreven, of niet. Want je kunt nog zo veel voorkeuren uitgesproken hebben, het klikt of het klikt niet. Of een beetje…

Het eindigt meestal met een kort infomoment van wat er na deze eerste date is gebeurd, mocht men uitgesproken hebben dat er nog een vervolg zal gaan komen. Helaas een veel te beperkte weergave daarvan natuurlijk. Ik geef de voorkeur aan een inforeeks na een week, een maand, een half jaar, twee en vijf jaar. Want je blijft als kijker, na het kennismaken met de personen in beeld, toch een beetje met een kater achter. Maar ja…

Degene van het samen te stellen stel die zich het eerste aan de bar meldt, start er vrijwel altijd met een alcoholisch drankje, in afwachting van het verschijnen van de onbekende partner. Heel normaal aan een bar, zo’n drankje. Tegen de spanning. Tegen de zenuwen. Noem maar op. Hetgeen later bij het eten wordt vervolgd door wijn, bier of een of andere cocktail. Maar het zet me ook altijd aan het denken. Want tenslotte ontmoet je elkaar er niet helemaal eerlijk door. Tenzij je allebei in je profiel hebt laten noteren dagelijks veralcohold door het leven te gaan natuurlijk. Hoewel je natuurlijk in je relatie niet altijd de spanning hebt van het voor het eerst ontmoeten. Ook weer waar. Het wordt steeds ingewikkelder. Dat we nog niet zijn uitgestorven…

 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

13 november 2018

Back to Top